Syrie en Jordanie reisverhaal

Reisverhalen en foto's van Freddy en Linda

Reisverhaal Syrië en Jordanië

24 oktober tot 10 november 2007

De reden waarom we voor deze reis kozen, was het feit dat we Petra wilden zien. Petra was één van de 7 wereldwonderen en het was deze naam meer dan waard.

Petra was schitterend en overweldigend, het benam ons de adem en was niet met woorden te beschrijven.

Syrië was eveneens de moeite waard, authentieker dan Jordanië en meer Arabisch, de bevolking was vriendelijker en het was er niet zo duur dan in Jordanië dat al meer verwesterd was.

Het waren landen met een rijke geschiedenis en herinneringen aan een ver verleden van Grieken, Romeinen en kruisvaarders.

Dag 1: woensdag 24 oktober 2007

Met Royal Jordanian stegen we om 13u20 op naar Amman in Jordanië waarbij de vlucht ongeveer 4u45 zou duren. De piloot gaf bij het taxiën naar de baan plots een korte duw op zijn rempedaal zodat het toestel even blokkeerde en bijna de bocht miste en iedereen kreeg een gevoel van “welke leerling-piloot zat hier aan het stuur”. Alles ging echter goed en we kwamen op tijd aan om 19u05 plaatselijke tijd (1u later dan bij ons) In Amman moesten we 2u wachten voor we konden opstijgen naar Damascus in Syrië. Deze keer vlogen we met een heel klein toestel van amper 68 passagiers dat al hotsend en botsend landde op Syrische bodem.

De luchthaven in Damascus was een echte ravage, het leek alsof orkaan weet-ik-veel daar net gepasseerd was. De hal (als je het zo kon noemen) lag vol met lege petflessen, stukken karton, papier en plastiek. We zijn al op heel wat plekken geweest maar dit was weer iets unieks. Als dit een voorbeeld was van hoe het er in het land aan toe ging, zouden we nog heel wat meemaken.

Terwijl onze begeleider de visa regelde voor iedereen, stonden we ons af te vragen of nu echt niemand die hele rotzooi zou samen vegen. Na een tijdje kwam er inderdaad een vrouwtje te voorschijn met een bezem en zij veegde de hele boel op verschillende hoopjes. Daar bleef het echter bij en alles bleef weer liggen. Als je zag wat ze maar presteerde gedurende de tijd dat wij daar stonden te wachten, dacht ik dat ze er nog wel een week of twee zou over doen om alles opgeruimd te krijgen. Maar ja, dit was Syrië, wat vandaag niet klaar was, dan misschien morgen wel.

We moesten daarna nog wel een eindje rijden naar het Al-Iwan Hotel. Op de hoek aan het Hotel was een sapwinkeltje waar we nog een cola dronken voor het slapengaan. We waren immers in Syrië, een moslimland en hier was geen alcohol te krijgen.

Rond 1u doken we in ons bed waar we eerst de slaap niet konden vatten en dachten aan Syrië en onze rondreis die de volgende dag zou starten.

Dag 2: donderdag 25 oktober 2007

We gingen met de hele groep te voet op weg naar het Nationale Museum dat een voorgevel had van een paleis uit de Ottomaanse tijd.

Links hadden we de afdeling van de Grieks-Romeinse klassieke tijd en rechts konden we de overblijfselen en kunstvoorwerpen van oud en modern Syrië bekijken. Aangezien we niet zo’n fervente museumbezoekers zijn, liepen we al vlug weer in de schaduwrijke tuin met stukken die men niet meer kwijt kon in het museum.

Naast het museum was de Takiyeh Suleymani, een moskee uit de Ottomaanse tijd, de 16e eeuw.

We liepen naar het oude treinstation dat niet meer in gebruik was maar wel nog heel prachtig van binnen met zijn vele muurschilderingen.

In de citadel van Damascus konden we niet binnen en daarom liepen we de belangrijkste markt van Damascus, de Souq Al-Hamadiyeh door, een lange, brede overdekte soek met een speciale sfeer die veroorzaakt werd door de zonnestralen die door het ijzeren dak kwamen binnen vallen.

Aan het eind van de soek liepen we door de poort van Jupiter, een overblijfsel van een Romeinse tempel, de imposante Umayyad Moskee binnen. Aan de ingang kregen alle vrouwen een lange, wijde en bruine cape aangereikt om het lichaam en het haar te bedekken. Hilariteit alom en het leverde uiteraard de nodige foto’s op.

De moskee met een binnenplaats vol mozaïeken en mooie vloerstenen, de minaretten, de schatkamer en de fontein waar men het hoofd, de voeten en de handen wast voor het betreden van de moskee was prachtig. Door het gebed mochten we niet meteen de moskee in en we bezochten eerst het mausoleum van Saladdin uit 1193.

Binnenin was de moskee ook enorm met achteraan de bidplaats voor de vrouwen en helemaal aan het eind het schrijn van Johannes De Doper, hier zou zijn hoofd begraven liggen.

Na het bezoek aan de moskee gingen we lunchen in een toeristenrestaurant, broodje shoarma, eenvoudig maar wel lekker waarna we een bezoek brachten aan het Al Azem Paleis, het paleis van de gouverneur van Damascus en gebouwd tussen 1749 en 1752, met zijn kamers met originele beschilderde plafonds, houten panelen en niet-originele meubelstukken. De binnentuin was heel rustig en wij gingen al gauw op een muurtje zitten om alles en iedereen gade te slaan.

Daarna liepen we naar de Christelijke wijk en brachten een bezoek aan de kerk van Sint Ananias, vroeger een gewoon huis en later tot kerk omgevormd.

Hierna hadden we zin in een biertje en aangezien we in de Christelijke wijk waren, moesten we hiervan profiteren want in de andere wijken waren veel plaatsen alcoholvrij.

’s Avonds gingen we met Erik en Mia eten in Aboe Kamal Restaurant, heel lekker eten maar weerom geen alcohol en dus gingen we na het eten nog een biertje drinken in het Entrecote Café de Paris, een eindje verderop.

Het was alweer na tienen eer we in ons bed lagen.

Dag 3: vrijdag 26 oktober 2007

Om 8u vertrokken we met een heel grote bus waar iedereen apart op een bank kon zitten naar de Crac de Chevaliers. De bus was pure luxe, dat hadden we soms wel anders meegemaakt op eerdere reizen.

Onderweg stopten we in Malula, een Aramees stadje waar ze nog steeds het Aramees, de taal van Jezus, spraken. Malula was een leuk bergdorpje met in het geel of lichtblauw geschilderde huizen. Ons eerste bezoek was aan het klooster van Sint-Sergius dat bovenop de berg gelegen was. Sommige delen dateerden uit de 4e eeuw en door een heel lage deur kwamen we binnen in het klooster met een kleine Byzantijnse kerk met een speciaal halfrond altaar. Aan de muren hingen schitterende iconen uit de 13e eeuw. De meest prachtige en in het oog springende icoon was een combinatie van de kruisiging en het laatste avondmaal. Deze icoon was 2 jaar en 7 maanden gestolen geweest en werd per toeval terug gevonden in 1997.

Buiten aan de bergwand zagen we grote gaten die een overblijfsel waren van de woonst van de vroegere bewoners. Vroeger waren er nog geen huizen en de mensen woonden toen in deze grotten.

Door een smalle, hoge kloof liepen we naar beneden naar het dorp toe. De kloof was een klein voorsmaakje van de siq in Petra, de wandeling was kort maar geweldig mooi.

In het dorpje zelf was het klooster van Sint-Tecla met weer een kerk met een aantal iconen en het huidige graf van de heilige Tecla.

Na de koffiepauze in een restaurant met zicht op het dorpje Malula reden we door naar de Crac de Chevalier. Het eerste zicht op deze gigantische 800 jaar oude kruisvaardersburcht was overweldigend. De burcht werd gebouwd op een strategische plaats en werd lange tijd niet veroverd door zijn unieke ligging bovenop de berg. Na een aantal aanvallen moesten de kruisvaarders toch capituleren in 1271. Bepaalde kenmerken zoals de grote ontvangstzaal en de kerk waren duidelijke tekenen dat het kasteel door kruisvaarders gebouwd werd. De muren waren metersdik en er waren ontelbare schietgaten. De verschillende zalen waren enorm en de burcht straalde macht en glorie uit. Binnen en buiten het kasteel kon je in feite uren rond lopen en van op de buitenmuren met zijn 13 torens hadden we een magnifiek uitzicht op de omgeving. Zonder een bezoek aan deze topbezienswaardigheid was deze reis naar Syrië zeker niet compleet geweest.

Na de Crac reden we richting hotel waar we nog even stopten aan de kerk van St. George, een mooie Grieks Orthodoxe, Byzantijnse en kruisvaarderskerk. In de kerk was juist een huwelijksplechtigheid aan de gang.

Rond 17u kwamen we aan in Hotel Al-Wadi met zijn gigantisch grote kamers en badkamers. Vanuit onze kamer hadden we een mooi uitzicht op de Crac. ’s Avonds gingen we rechtover het hotel in Restaurant Monza een pizza eten.

Dag 4: zaterdag 27 oktober

Deze morgen vertrokken we om 8u30 naar Hama dat bekend was om zijn oude houten waterraderen, de noria’s die tot 20m diameter hadden en dateerden uit de 13e eeuw. Vroeger dienden zij voor de waterbevoorrading van de stad en voor irrigatie van de velden maar voor het ogenblik dienden zij enkel als decoratie en bezienswaardigheid.

We wandelden door het park en kwamen zo in de oude stad terecht die rijk was aan diverse hammam’s of badhuizen waarvan de openingstijden verschilden voor mannen en vrouwen. Na een kop koffie reden we verder richting Apamea met zijn lange zuilengang. Palmyra was uiteraard veel bekender maar om door deze 2 kilometer lange colonnadestraat te lopen was ook wel geweldig. We liepen de hele weg van de ene kant naar de andere tussen de indrukwekkende zuilen met de tempel van Zeus en dit onder een bloedhete zon.

Na het bezoek stopten we aan het Mosaic Museum dat vroeger een karavanserai geweest was, een rustoord voor lieden van de karavaan en handelsroute van Mekka naar Constantinopel. De mozaïeken waren ondergebracht in de vroegere stallen rond de centrale binnenplaats. Het grappige aan het hele bezoek was dat er een mannetje met ons meeliep dat voortdurend zei dat we niet mochten fotograferen terwijl iedereen er geen rekening mee hield en rustig verder foto’s maakte zonder acht op hem te slaan.

Buiten de poort stonden een paar kinderen uit het dorp ons op te wachten. Zij hadden er plezier in om zichzelf te zien op het schermpje van onze digitale camera’s en begrepen helemaal niet dat dit bij sommigen die geen digitale camera hadden niet lukte.

Hierna moesten we nog een klein uur rijden eer we konden lunchen in een gigantisch toeristisch restaurant waar we veel geld betaalden voor het beetje eten dat op ons bord lag.

Op de weg naar Aleppo had onze begeleider het onzalige idee om met zijn allen uit te stappen aan de Citadel, deze ook gezamenlijk te bezoeken en dan te voet te gaan naar het hotel terwijl de bus onze grote bagage aan het hotel zou droppen. Waar we een hartgrondige hekel aan hadden, was wel aan zulke dingen. We kozen voor Baobab voor zijn vrijheid in het programma en wilden niet met 20 personen in de Citadel lopen. We hadden trouwens al ondervonden dat Abdullah graag wilde dat iedereen achter hem aan liep maar dat wilden we niet. We vertikten het dus om mee te gaan en bleven buiten aan de Citadel op een muurtje zitten om “mensen te kijken”.

Wat ons al opgevallen was in dit land, en nu trouwens ook weer, was dat iedereen ons met rust liet. Niemand viel ons lastig of kwam zeuren om iets te kopen. Ook in de souks in Damascus hadden we dat meegemaakt. Heel aangenaam!

Een paar jongeren kwam een praatje slaan, gewoon om hun Engels te oefenen, zonder bijbedoelingen. Er kwam geen oom of vader op de proppen die wel ergens een winkel had zoals we in Egypte meegemaakt hadden, niets van dat alles hier. Gewoon pure vriendelijkheid en interesse en dat beviel ons wel van het Syrische volk.

In de Lonely Planet hadden we het Al-Andalib restaurant uitgezocht om ’s avonds te eten. Erik en Mia gingen met ons mee. Toen we niet direct duidelijk konden maken wat we wilden, mochten Erik en ik een kijkje nemen in de keuken. Hilariteit alom, zowel bij ons als bij het keukenpersoneel terwijl ze ons de verschillende soorten saté’s en vlees lieten zien. Uiteindelijk kregen we heel wat op tafel wat heel lekker was en het aangename was dat de prijs ook nog meeviel. Dit restaurant was een echte aanrader.

Dag 5: zondag 28 oktober 2007

We reden naar het klooster van St Simeon en onderweg zagen we de tenten van de nomaden. Er was een verschil tussen de nomaden en de zigeuners die ook in tenten leefden. De nomaden waren Arabieren en bedoeïnen die een hard leven leiden en heel gastvrij waren. Zij leefden in tenten van geitenhaar. De zigeuners daarentegen waren van Indische afkomst. Deze mensen leefden in heel goedkope bruine tenten, zij werkten niet maar bedelden.

Het klooster van St Simeon bestond uit een complex van 4 kerken die gebouwd waren door de Byzantijnen op het einde van de 5e eeuw. Er waren twee doopkerken met in de ene een doopvont waar je doorheen kon lopen.

Simeon leefde een halve eeuw voor de kerk gebouwd werd. Zijn vader was een schaapsherder en Simeon wist al op jonge leeftijd dat hij monnik of priester wou worden. Hij was echter heel anders en daardoor ontstonden er al vlug conflicten met de andere priesters en om die reden werd hij weg gestuurd. Hij klom op een pilaar op 15 à 16 jarige leeftijd om te ontsnappen aan de wereld maar hij bereikte juist het tegenovergestelde want hij werd alsmaar bekender en meer en meer mensen kwamen naar hem toe. Er deden ook verhalen de ronde van mensen die door hem genezen waren maar daarvan was geen enkel bewijs. De vraag was: zat hij werkelijk de hele tijd op die pilaar, ook gedurende de heel koude wintermaanden? Niemand kon op deze vraag antwoorden en het verhaal van Simeon zou altijd een raadsel blijven.

Daarna reden we naar één van de dode of verlaten steden in de omgeving van Aleppo. De huizen lagen in een bergachtige streek maar zij werden in de 2e à 3e eeuw verlaten omwille van meerdere redenen ondanks de rijkdom en de mooie huizen die mensen verdiend hadden door de opbrengst van olijfbomenplantages. Misschien had ook de oorlog tussen moslims, kruisvaarders en Byzantijnen er mee te maken? Dit was weer zo’n raadsel waarvan niemand het fijne wist.

’s Middags gingen we lunchen bij een Syrische familie thuis. We moesten onze schoenen uitdoen en in de leefkamer op kussens gaan zitten met middenin een groot laken waarop het eten zou geserveerd worden. De hele kamer was gedrapeerd met mooie gordijnen, heel eenvoudig maar gezellig ingericht. Het eten bestond uit rijst met gekookte kip, tomaten, komkommer en yoghurt met als afsluiter het gebruikelijke kopje thee. Deze mensen hadden erg hun best gedaan en het was weer een speciale ervaring om het huis van een Syrische gezin van binnen te bekijken. De binnenplaats was grotendeels overdekt met een trap naar het dakterras. Daar konden wij alleen maar van dromen want in het koude België was je nu eenmaal niets met een dakterras.

Bij terugkeer in Aleppo maakten we met zijn allen (inderdaad, weer eens met zijn allen) nog een wandeling door de Christelijke wijk waar we door de nauwe straatjes liepen en een bezoekje brachten aan een mooi koloniaal hotel, het Dar Zamaria.

’s Avonds gingen we met Erik en Mia eten in restaurant Yasmeen House in de Christelijke wijk. Dit restaurant had ik weer eens uit de Lonely Planet gehaald en het was een echte aanrader.

Andermaal lagen we pas laat in bed want we gingen achteraf nog een biertje drinken in Al-Andalib, het restaurant waar we gisteren aten. Op sommige reizen lagen we heel vroeg in bed maar dit was deze maal wel anders mede door het gezelschap van Erik en Mia waarmee we veel plezier hadden.

Dag 6: maandag 29 oktober 2007

We hadden een vrije dag in de tweede grootste stad van Syrië, Aleppo. De soeks lagen in El Medina, de oude stad en telde ongeveer 10.000 winkeltjes waar ze ongeveer alles verkochten. Een lokaal product was de Sawoel Aleppo, een soort zeep die hier gemaakt werd.

Eerst bezochten we de Citadel van Aleppo die de stad domineerde en waarvan de basis heel wat groter was dan de oppervlakte binnenin. We slenterden wat rond en bekeken de overblijfselen van het Ayyubid Palace en van boven op de muren hadden we een gigantisch uitzicht over Aleppo.

Na een koffie gingen we de soeks in die verdeeld was over verschillende wijken en een labyrint van smnalle straatjes en steegjes. Hier proefde je de sfeer van het Midden Oosten met zij speciale geuren, kruiden en specerijen. In deze soeks kon je werkelijk alles vinden, iedereen was heel vriendelijk en liet je met rust.

Mannen liepen met hele stukken vlees over hun schouder en bij het bekijken van die grote hompen vlees die bij de slagers hingen in niet zo’n hygiënische omstandigheden, verging je de lust om veel vlees te eten.

De steegjes waren enorm smal, sommigen slenterden en anderen waren gehaast terwijl er ook kleine bestelwagens doorheen reden die naar niets of niemand keken en maar lustig toeterden om daarna volle gas te geven. Wie niet op tijd opzij sprong, was de pineut.

Toen ik stond te praten met een lokale jongen die vrij goed Engels sprak en niet meteen opmerkte dat er een bestelwagen aankwam, reed die gekke chauffeur zomaar tegen mijn voet aan. Doordat ik sandalen droeg, kwam de klap vrij hard aan en de eerste ogenblikken was er paniek. Ik kon me niet bewegen terwijl iedereen in de onmiddellijke omgeving kwam kijken wat er aan de hand was. Iedereen excuseerde zich behalve de chauffeur maar gelukkig voor mij was het niet zo erg en bleef het bij een paar kneuzingen.

In deze steegjes kon je wel uren rondslenteren maar op zeker moment hadden we er genoeg van en liepen naar buiten de open lucht in. Bij het buitenkomen van de soeks liepen we in de verkeerde richting maar na een paar keer de weg te vragen, konden we dan toch richting hotel lopen. Grappig was wel dat als je hier de weg vroeg er telkens mannetjes werden bijgehaald totdat er wel eentje was die je kon helpen.

We gingen in het Baron Hotel een biertje drinken en liepen daarna naar het postkantoor. Normaal gezien werkte mijn oriëntatiegevoel perfect maar hier mankeerde er blijkbaar wel iets aan en weerom liepen we verloren. We vroegen dus maar weer de weg aan een jonge man en die liep zelfs met ons mee naar het postkantoor. De vriendelijkheid en belangeloosheid van deze Syrische bevolking kende geen grenzen, dit beviel ons zo goed en gaf een meerwaarde aan deze reis.

Naast het postkantoor stapten we Syrian Telecom binnen omdat we dachten dat we daar naar huis konden bellen maar dit was niet zo en een bediende kwam met ons naar buiten en wees ons de weg naar een ultraklein winkeltje aan de overkant waar het dan toch lukte. Voor 3 minuten bellen betaalden we 120 Syrische pond, spotgoedkoop dus.

Toen liepen we naar het enige internetcafé van Aleppo waar de verbinding enorm traag verliep en we dan ook heel wat tijd spendeerden maar de kostprijs een peulschil was.

In een supermarktje kochten we nog wat water, broodjes en kaas voor onderweg de dag nadien. We ondervonden al dat de gezamenlijke lunch ’s middags ons telkens een pak geld kostte voor hetgeen we op ons bord kregen en daarom hadden we samen met Erik en Mia, besloten om zelf voor ons eten te zorgen.

’s Avonds gingen we naar de christelijke wijk en aten we in Kan Zaman Restaurant naast Yasmeen House. Het was een heel mooi gebouw binnenin waar we met een glazen lift naar boven gingen maar we hadden een grote bril nodig om te zien wat op ons bord lag en het werd de duurste maaltijd ooit.

Dag 7: dinsdag 30 oktober 2007

Toen we deze morgen bij het hotel wegreden, regende het. Iedereen had ondertussen de regenjassen al opgeborgen in het onderste compartiment van de bagage omdat we die toch niet meer dachten nodig te hebben gedurende deze reis. Gelukkig voor ons zaten we op de bus en toen we naar het oosten reden, richting woestijn, hield het al gauw op met regenen en scheen de zon.

We zouden ongeveer 450 km afleggen naar Deir Es Zur met tussenstops in Rasaffa en Halabiyya maar eerst hielden we halt in een dorpje met kleine huisjes in de vorm van bijenkorven, de typische bouwstijl van het gebied rond de Eufraat. De huizen bestonden uit leem en waren zo gebouwd om de extreme hitte in de zomermaanden tegen te houden. Vergezeld van een aantal kinderen liepen we door het kleine dorpje om de huizen en het dagelijkse leven te bekijken.

Hierna reden we naar de dam aan het Assad Meer bezichtigen. De dam was gebouwd in 1970 en men dacht toen dat de dam genoeg elektriciteit zou produceren om heel Syrië te bevoorraden. De dam zou ook zorgen voor de irrigatie van de weilanden. In de jaren ’60-’70 was er alleen elektriciteit in de grote steden maar in de loop der jaren steeg het energieverbruik heel sterk omdat er ook veel meer elektrische toestellen bijkwamen. De dam was dus niet toereikend meer en als oplossing ging men elektriciteitscentrales bijbouwen .

De tweede stop vond plaats in Rasaffa, een oude, fascinerende, omwalde stad en vroeger een militaire zone midden in de woestijn. De stad lag te zinderen onder een gloeiend hete zon en dat in oktober, wat moest dit wel zijn in de volle zomer?

Aan de rand van de stad hadden we een picknick die klaar gemaakt was door onze gids.

We kwamen langs de Eufraat waar er uiteraard veel groen was. In de kleine dorpjes werd de leerplicht blijkbaar niet echt opgevolgd want overal zagen we kleine jongens en meisjes helpen op het veld of fungeren als schaapsherder voor een hele kudde schapen. Van kinderarbeid gesproken!

Meer naar het oosten toe week het groen voor de dorheid van de woestijnen en vanuit de bus zagen we langs beide zijden een gigantische zandbak met plukjes droog en dor gras met een paar distels ertussen. Langs de kant van de weg lagen overal stukken kapot plastiek en afval. Syrië zat ook al opgeschept met een enorm afvalprobleem want op veel plaatsen lagen bergen afval.

Daarna reden we naar Halabiyya, een ruïne van een oude vestigingsstad. Veel was er niet te zien, twee mensen waaronder ikzelf gingen naar boven, de rest liet het afweten en bleef beneden. Enkel het uitzicht over de Eufraat was nog een beetje de moeite maar verder was deze stop niet echt spectaculair.

Op de weg naar Deir Es Zur maakten we een wandeling langs de Eufraat en weer waren we de bezienswaardigheid van de plaatselijke kinderen die de hele weg met ons meeliepen. We gingen ook thee drinken bij een familie thuis.

Rond 18u30 kwamen we in het Ziad Hotel en later op de avond gingen we samen met Erik en Mia eten in Restaurant Al Bonarami aan de oever van de rivier. We zaten op het dakterras maar toen er plotseling een zandstorm opkwam, vluchtte iedereen naar binnen. Op het menu stond kebab en kebab. Een heel gevarieerde keuken hadden ze niet in Syrië want dit was vrijwel in elk restaurant het geval. We vroegen een mix kebab en het was best te eten. Bij alle gerechten kregen we telkens een hele schotel rauwe groenten maar aangezien we dat nooit aten op reis omdat dit altijd gespoeld werd in het plaatselijke leidingwater, was de portie altijd kleiner.

Over de badkamer in het hotel moest ik juist nog vertellen dat het toilet zo geplaatst was dat je met je voeten in de douche zat als je op het toilet ging zitten en dat leverde uiteraard een leuke foto op.

Dag 8: woensdag 31 oktober 2007

Deir Es Zur had een half miljoen inwoners en was de grootste stad aan de Eufraat. De stad haalde zijn voordeel uit de nabijheid van de rivier en er werden katoen, graan en maïs verbouwd. Veel tijd hadden we echter niet om de stad te verkennen want om 8u vertrokken we naar Duro Europos, een Grieks vestigingsstadje, dat gebouwd was door Alexander De Grote en verwoest werd door de Perzen. Het meest bezienswaardige was het fort aan de oever van de Eufraat. De vlakke woestijn eindigde hier in een muur van kliffen van 90m hoog en beneden stroomde de rivier. Een mooi uitzicht was het wel.

Daarna reden we naar Mari dat ongeveer 10 km voor de grens met Irak gelegen was. Mari was veel ouder dan Duro Europos en dateerde van 2500 voor Christus en werd later verwoest door de Babyloniërs. De stad werd bewoond door Amarieten, Arabische bedoeïenen of woestijntrekkers en het was een heel belangrijke Mesopotamische stad waarvan de belangrijkste stukken waren ondergebracht in museums in Damascus, Aleppo en het Louvre.

Bij Mari hadden we een bedoeïenenmaaltijd dat bestond uit rijst met vlees en groenten verwerkt in een stoofpotje. Het vlees was heel taai, gewoon niet te kauwen en was waarschijnlijk afkomstig van een oud schaap maar het frappante aan de hele zaak was dat we achteraf voor deze maaltijd heel duur betaalden. We namen ons nu definitief voor om aan geen enkele georganiseerde maaltijd meer deel te nemen en zelf iets te eten mee te brengen. We konden wel aannemen dat mensen er iets moesten aan verdienen maar hadden er een hekel aan om opgelicht te worden en daar begon het sterk op te lijken.

We hadden een stop in een klein dorpje waar we de sfeer konden opsnuiven en het straatleven aanschouwen. Er was een markt aan de gang maar we hadden de indruk dat ze ons bezoek niet echt apprecieerden. Veel vrouwen zagen we niet en de mannen reageerden niet echt vriendelijk, eerder argwanend en achterdochtig en dat was zeker het geval als je als vrouw een foto van hen probeerde te maken. Ja, een mannencultuur hé.

Voor we Palmyra bereikten, stopten we nog aan een hangende brug waar er werken aan de gang waren en waar er niets te zien of te beleven was.

We kwamen aan in het Orient Hotel in Palmyra rond 17u40 en we hadden het onzalige gevoel dat het een hele lange dag geweest was waarin we niets moois of spectaculairs gezien of beleefd hadden. Duro Europos en Mari mocht voor ons part gerust van het programma geschrapt worden en er mocht wat meer vrije tijd ingebouwd worden want die was hier heel schaars, misschien ook omdat onze begeleider wou dat we altijd achter hem aanliepen maar dat was niet aan ons besteed. We wilden een reisbegeleider, geen gids en zeker niet iemand die ons handje steeds vast hield om ons overal doorheen te loodsen, zo zelfstandig waren we ondertussen al wel geworden.

De hoofdstraat van Palmyra met zijn winkeltjes en restaurants lag juist achter ons hotel maar toen we de straat doorliepen, merkten we dat er niet zoveel keuze was aan restaurants. In een zijstraatje vonden we restaurant Venus waar we een gegrilde halve kip aten.

Dag 9: donderdag 1 november 2007

’s Morgens gingen we het museum van Palmyra bezoeken, een museum met heel mooie stukken en zelfs vier mummies.

Daarna bezochten we de graftombe van Elahbel uit de 2e eeuw na Christus. De tombe had vier verdiepingen met 9 rijen waarin 8 lichamen konden liggen. We reden ook naar de 3 broeders tombe, een kindergraftombe met prachtige fresco’s uit de Syro-hellenistische tijd. In de omgeving waren nog verschillende graftombes van belangrijke mensen die weliswaar niet zo goed bewaard waren gebleven. De gewone mensen werden gewoon begraven en kwamen niet in een tombe terecht.

De ruïnes van Palmyra lagen in feite midden in de woestijn naast de oase van Palmyra. Deze oase was ooit ontstaan door een belangrijke waterbron in de omgeving maar deze was nu opgedroogd. Tien kilometer verderop was er echter een nieuwe waterbron die de oase voorzag van het levensbelangrijke water.

Abdullah wou dat we samen de ruïnes bezochten maar wij gaven er de voorkeur aan om alleen te lopen en niet met een groep van 18 personen. Palmyra was geweldig en een hoogtepunt op deze reis en zoiets moesten we alleen ervaren en bekijken. We bezochten de tempel van Bel en liepen de straat van Palmyra af met de triomfboog, de tempel van Nabu, de Agora, de kerk en het theater. Palmyra was de belangrijkste historische attractie van Syrië en meer dan een bezoek waard.

We aten bij restaurant Venus een pannenkoek en vertrokken rond 15u naar Damascus. We waren nog geen kilometer ver of we stonden al met pech aan de kant. De chauffeur probeerde de hele zooi nog te repareren met de hulp van bereidwillige mensen die bij ons stopten maar het bracht geen aarde aan de dijk. Met het uitzicht op de ruïnes zouden we een tijd moeten wachten op een nieuwe bus. Achteraf bekeken viel het nog mee want er kon een bus geregeld worden uit Palmyra zelf en niet uit Damascus, wat uren zou duren.

De bus was heel wat kleiner en we zaten als haringen in een ton met een deel van de bagage in het gangpad gestouwd. We stopten aan het Bagdad Café waarbij we over de bagage moesten klauteren om uit en weer in de bus te geraken. De hele bedoening deed me denken aan onze trip met de kippenbus in Guatemala, een prachtervaring die we voor geen geld wilden missen.

Uiteindelijk kwamen we aan in ons hotel in Damascus rond 20u30 nadat onze interim chauffeur een hele tijd gezocht had naar ons hotel. Samen met Erik en Mia gingen we weer eten in Abou Kamal, het restaurant van de eerste dag. De tournedoes en chatobrian (ja, zo stond het op de kaart vermeld) beviel ons best na alle kip en andere kebabs van de laatste dagen.

Deze nacht moesten we ons uurwerk een uur terug draaien, 1u werd 12u maar we moesten wel om 6u uit bed de volgende morgen.

Dag 10: vrijdag 2 november 2007

Deze morgen stonden we om 7u op de stoep maar wat denk je? …..inderdaad, geen bus. Onze reisbegeleider was al druk aan het telefoneren en zijn toonhoogte werd alsmaar hoger en zijn stem nijdiger en uiteindelijk kwam de bus om 7u30, een half uur later dan gepland.

Tien kilometer buiten de stad Damascus bezochten we de Sayyida Zeinab moskee. Deze in Iraanse stijl gebouwde moskee was klein tot de jaren ’70-’80 maar werd later opgeknapt en vergroot met goud en mooie tegels. Het mausoleum stond centraal met een overdekte binnenplaats en het resultaat was schitterend. Het was één van de mooiste en opmerkelijkste moskeeën van het land.

Onze laatste stop op Syrisch grondgebied was Bosra, een halte op de karavaanroute met het best bewaarde theater uit de Romeinse tijd en ook een hoogtepunt op deze reis. Eerst liepen we door het kleine dorpje met een paar souvenirwinkeltjes met oude en nieuwe spullen en veel potterie met felgekleurd lakwerk. Ook hier weer zagen we de colonnade met oost en west maar het theater met plaats voor 15.000 mensen was indrukwekkend.

We hadden verwacht dat Syrië armer zou zijn maar eigenlijk was het een welvarend land. Bijna iedereen had een mobiele telefoon met camera en alles erop en eraan. De bevolking was zeker niet mager, sommigen waren zelfs extreem dik, misschien door het eten van veel vlees?

Het was een overwegende mannencultuur maar vrouwen begonnen zich te manifesteren zoals door het besturen van voertuigen en het roken van een waterpijp. Syrië was een land dat een bezoek meer dan waard was.

Na een tijdje kwamen we aan de grens met Jordanië. Aan de Syrische kant moesten de deuren van de bagageruimte opengemaakt worden en kwam de douanier een kijkje nemen op de bus. Daarna reden we naar de Jordaanse grenspost maar hier verliep het niet zo eenvoudig. We zagen dat alle voertuigen die de grens over wilden volledig gecontroleerd werden van kofferruimte tot de motorruimte. Deze douaniers gingen heel grondig te werk.

We moesten allemaal de bus uit, alle bagage meenemen, zowel de grote als de handbagage en alles moest door de scanner. Toen de bagage uit de scanner kwam, moesten ze een paar keer de band even terugdraaien omdat één van de riemen van de tassen of rugzakken tussen de band gedraaid was. We riepen heel luid STOP maar de douanier was met zijn gedachten ergens ver weg en uiteindelijk lag alles op een hoop op elkaar. Het was een heel zooitje.

Daarna moesten we een uurtje wachten tot onze plaatselijke gids de visums geregeld had. We hadden dus alle tijd om geld te wisselen en een cola te drinken.

Terug in de bus vertelde onze lokale gids Mohammed ons dat 83 % van Jordanië woestijn was. In de vallei verbouwde men fruit en groenten en de landbouw en het toerisme was een belangrijke vorm van inkomsten.

Onze eerste stop op Jordaanse bodem was de Hellenistische stad Jerash die in 78 voor Christus verwoest werd maar later heropgebouwd door de Romeinen. Het forum en de tempel van Artemis waren misschien nog het mooist maar verder hadden we een gevoel dat dit geen hoogtepunt zou worden op onze reis. We vonden Jerash en zijn entourage vrij toeristisch en het was de eerste keer dat we voor en na het bezoek een aantal souvenirstalletjes moesten passeren. Jordanië bleek dus al heel anders dan Syrië.

Rond 18u kwamen we aan in het Arena Hotel in Amman, een geweldig hotel met een schitterende receptie. Toen we de deur van onze kamer openden, hadden we een “waw” gevoel, de kamer was gigantisch groot met een breedte van 6 en een diepte van 10 meter. We hadden een heel breed bed, een tafel, 2 zetels, een schrijftafel, TV en een ijskast. Midden in de kamer stond een pilaar en we hadden het gevoel dat we wel eens verloren konden lopen in deze ruimte. Het was een schat van een kamer waar we twee nachten zouden blijven.

We zaten in een buitenwijk van Amman en dus besloten we om te eten in het hotel want anders moesten we een taxi regelen naar één of ander restaurant. We waren over het algemeen geen voorstander om te eten in een hotel maar nood breekt wet en we hebben het ons niet beklaagd met een buffet van heerlijke gerechten voor 14 Jordaanse dinar. Het bier daarentegen was aan de prijs met 3 dinar voor een gewoon pintje. Ter informatie: 1 dinar was 1 euro.

Dag 11: zaterdag 3 november 2007

We hadden een vrije dag in Amman maar kozen voor de dagexcursie met vertrek om 8u. Onze eerste stop was de Citadel van Amman met de stadsmuren en het archeologische museum. Van hieruit hadden we een fantastisch uitzicht over Amman.

We reden voorbij de hoofdingang van het koninklijke paleis met de wachten en de streng bewaakte Amerikaanse ambassade die volledig afgeschermd en belegerd was met tanks en soldaten met de geweren in de aanslag. Hier mochten geen foto’s worden genomen en we hebben ook niet het risico genomen.

We namen de Desert Highway en zagen langs de kant van de autosnelweg een volgeladen vrachtwagen staan met kool. Wagens stopten en de mensen sloegen hier hun voorraad kool in, zomaar aan de kant van de autosnelweg wat voor ons ondenkbaar was.

We bezochten Madaba met een Grieks-Orthodox kerkje met bijzondere vloermozaïeken. Het dorpje was vrij toeristisch met tal van winkeltjes en weer zagen we het verschil met Syrië.

Er waren nog een aantal verschillen: Jordanië was veel properder met mooie statige gebouwen en goed onderhouden huizen. In Syrië stonk het leidingwater enorm, als je de handen waste, stonken ze naar het leidingwater. Hier was chloor in het leidingwater wat een gans andere geur gaf. De auto’s in Jordanië waren van jongere datum terwijl in Syrië wagens rondreden die wij 35 à 40 jaar geleden afgedankt hadden.

Volgens onze mening en gevoel was Syrië aantrekkelijker en meer authentiek. Jordanië was meer verwesterd en een heel pak duurder.

Tussen Madaba en Mount Nebo bezochten we een werkplaats van mozaïek. We hadden het gevoel dat dit één van de verplichte en traditionele bezoeken was bij een busreis en daar hadden we een hekel aan. Gelukkig bleven we er niet lang.

Mount Nebo betekende profeet en het was de plaats waar Mozes keek naar het beloofde land. Men dacht dat hij er ook gestorven en begraven was maar daar was geen enkel bewijs voor want er werd tot nu toe niets gevonden. Bij helder weer had je hier een geweldig uitzicht over de Jordaanvallei en je kon dan Jericho en de koepels van Jeruzalem zien maar zoals steeds het geval was bij zulke plaatsen….., inderdaad, toen wij er waren, was het te mistig om ver te kunnen kijken. Toch vonden we het een spectaculair uitzicht.

Johannes Paulus de tweede was hier nog op bezoek geweest op 20 maart 2000 en dat konden we ontdekken in het kerkje boven op de berg. Binnenin zagen we terug mooie mozaïeken.

Daarna reden we naar de Dode Zee, het diepste punt op aarde op 400m beneden zeeniveau. Het was hier 4 à 5 graden warmer dan op Mount Nebo en er was 40 % meer zout in het water dan in een gewone zee waardoor geen enkel leven mogelijk was in dit water. Het was ook de enige plek ter wereld waar men psoriasis kon genezen.

We gingen naar Amman Beach waar we stoelen en een tafel huurden en deze installeerden onder een parasol want het was hier bloedheet en het stikte van de vliegen. Het strand was heel proper en er was zelfs een drankstalletje. Doordat het zaterdag was en dus een vrije dag voor de plaatselijke bevolking, was het tamelijk druk en we hadden heel wat bekijks van de lokale mensen die geheel gekleed in het water gingen terwijl wij dit in zwembroek en badpak deden.

We waren rond 17u terug in het hotel waar we heerlijk gingen relaxen in onze supergrote kamer.

Toen we ’s avonds aan tafel zaten voor het buffet kwam er een grote groep Polen binnen. Die mensen waren waarschijnlijk half verhongerd of zij hadden nog nooit een zodanig groot buffet gezien want zij vielen als wolven aan. Zij kenden ook niet het systeem van buffet want zij haalden alles in één keer op van voorgerecht tot dessert.

Dag 12: zondag 4 november 2007

Om 7u vertrokken we al uit het hotel en na een tijdje reden we door de Mujib Valley met de dam en het leverde geweldige vergezichten over de mooie vallei op. Aan Trajan Restaurant hadden we een koffiestop maar het zicht op de dam werd belemmerd door hoge bomen.

Daarna reden we naar het kruisvaarderskasteel Karak wat niet echt interessant was, zeker niet na het vroegere bezoek aan de Crac en dus liepen we met een sneltreinvaart door het kasteel en al weer gauw de straat op.

Het viel ons onderweg wel op dat het in Amman ultraproper was maar dat dit in de dorpen al heel wat minder was.

Langs Tafila en de King’s Highway met zijn geweldige woestijnlandschappen reden we naar Wadi Musa waar we rond 15u aankwamen in het Petra Guest House, een onderdeel van het Crowne Plaza Hotel en gelegen naast de ingang van Petra. Als je de naam Crowne Plaza ziet staan, maak je geen illusies want de normen van bij ons en die van ginder lagen wel even anders. De man achter de receptie beloofde alles wanner je hem iets vroeg maar er kwam nooit iets van in huis. Maar tot daar toe, we kwamen voor Petra, we hadden op andere reizen al ergere dingen meegemaakt en we haalden dan maar onze schouders op en deden verder onze eigen zin.

We dropten onze rugzakken op de kamer en namen een taxi naar het centrum van Wadi Musa. Dit deden we eigenlijk omdat het een heel steile klim was en we hadden geen zin om ons ceht moe te maken. De groep ging naar klein Petra maar daar hadden we nog minder zin in en dus gingen we ons eigen gangetje. We gingen eerst pinnen, liepen wat door de straten en kwamen tot de conclusie dat er hier niet zoveel te beleven was en dus gingen we op zoek naar een biertje. Helaas, Wadi Musa bleek volledig alcoholvrij behalve dan in de grote hotels. We hadden echter onze zinnen op een biertje gezet en dan wilden we er ook eentje en dus stapten we een hotel binnen.

Aan het hotel kochten we water en cola en we betaalden er een gigantisch bedrag voor. Petra was dus al doordrongen van een eindeloze commercie maar dat was natuurlijk de prijs voor een toenemend toerisme. Hopelijk zou het de komende twee dagen beter worden bij het ontdekken van het échte Petra.

’s Avonds gingen we een pizza eten in het Oriental Restaurant maar door een enorme maagpijn kreeg ik de pizza hoegenaamd niet op hoewel deze heel lekker was.

Rond 21u lagen we al in bed en genoten van onze rust.

Dag 13: maandag 5 november 2007

Om 7 u genoten we van een gigantisch ontbijtbuffet met alles erop en eraan in het Crowne Plaza Hotel en daarna gingen we naar het Visitors Centre om een tweedaags ingangsticket te kopen voor Petra.

Wat het hoogtepunt van deze reis moest worden, stelde ons niet teleur. Integendeel zelfs, Petra was één van de zeven wereldwonderen en het was deze naam meer dan waard. We hadden op onze vorige reizen al heel wat mooie dingen gezien maar dit was werkelijk schitterend. Niet alleen de kloof waar we doorliepen in afwachting van de allereerste blik op de schatkamer maar het ganse gigantische complex met de koningsgraven, de oude stad, de klim van 800 treden met het eerste zicht op het klooster en het wondermooie landschap met de 26 verschillende kleuren in de rotspartijen waren gewoonweg magisch en van een wonderlijke schoonheid.

Er waren geen woorden om Petra echt te beschrijven. Het was iets wat je ooit in je leven moet gezien hebben. Het waren momenten zoals we woordeloos voor de Taj Mahal stonden die eveneens van een buitenaardse schoonheid was en niet te beschrijven. Het landschap was elke keer anders bij elke stap, bij elke blik en eender welke kant we keken, wonderbaarlijker, fantastischer en gigantisch mooi. Op het hoogste punt van 1080m keken we uit op Wadi Araba of klein Petra en we hadden een fabelachtig uitzicht over de omringende bergen.

’s Avonds aten we in Sandstone Restaurant, een aanrader, zeker voor de maktubah, een gerecht met kip, rijst, aardappelen en aubergines.

Dag 14: dinsdag 6 november 2007

We gingen weer naar Petra en weer was het een ervaring om de Siq door te lopen. De eerste aanblik van de schatkamer was nu niet zo spectaculair omdat we het al gezien hadden maar toch had het iets. Voor het theater gingen we nu aan de linkerkant naar boven naar the High Place of Sacrifice. De hele klim was iets gemakkelijker dan die van de dag voordien naar het klooster en aan de top hadden we een gigantisch en adembenemend zicht op de verre omgeving. Daarna liepen we richting Petra City Centre via een groep van interessante tombes en weerom was deze tocht schitterend en met geen woorden te beschrijven.

Op de terugweg van de schatkamer naar de uitgang zagen we hele hordes dagjestoeristen uit Amman of Aqaba die een blitsbezoek aan Petra brachten. We zagen heren op strandslippers en dames met naaldhakken en bijna in uitgaanskledij al wiebelend door het mulle zand en over de ruwe rotsen hun weg banen naar de schatkamer. Verder kwamen zij niet en zij beseften niet dat Petra heel wat meer te bieden had dan enkel de eerste aanblik op de roze schatkamer op het einde van de nauwe kloof.

Petra was gigantisch groot, wondermooi en zijn dure ingangsprijs meer dan waard. Ik weet nu al dat Petra voor altijd in mijn herinnering zal blijven naast de Taj Mahal, dat andere wereldwonder. Deze twee bezienswaardigheden moet je echt één keer in je leven gezien hebben.

Dag 15: woensdag 7 november 2007

Om 10u30 reden we weg uit het hotel richting Wadi Rum met zijn bijzondere woestijnlandschap. Na een tijdje stapten we over in open terreinwagens en maakten een tocht van 3 en een half uur in een wondermooi en kleurrijk woestijngebied met zandduinen en steile rotsformaties.

Na deze tocht reden we met de bus naar Jabal Rum Camp waar we gingen overnachten in het Captain’s Desert Camp. Men vertelde dat dit het meest toeristische kamp was in de omgeving maar toch had het zijn charmes. De hele omvang van het kamp was omgeven door brandende kaarsjes en stond beschut tegen de koude en harde woestijnwind tussen twee grote rotsen. Een grote open tent was bestemd voor de gezamenlijke maaltijd en de slaaptenten waren onderverdeeld in compartimenten met een tussenschot uit tentzeil. De tenten waren uiteraard zeer gehorig en het was iets totaal anders dan onze overnachting onder de blote sterrenhemel in de witte woestijn in Egypte maar toch hadden we deze overnachting voor geen geld willen missen. Ook in de slaapcompartimenten stonden kaarsjes en een bed met een klamboe wat een romantisch en avontuurlijk gevoel gaf om hier te slapen.

Dag 16: donderdag 8 november 2007

Iedereen was al vrij vroeg wakker maar dank zij mijn oordoppen had ik geen last gehad van alle snurkers in het kamp en sliep ik maar door. Freddy maakte me dan toch maar wakker want we gingen al heel vroeg vertrekken. Ik ging wel nog even de omgeving verkennen maar er was niets te beleven.

De weg naar Aqaba was volledig omzoomd door hoge rotswanden en soms zagen we een eenzame spoorlijn het eindeloze landschap doorkruisen.Rond 9u30 kwamen we aan in het belastingvrije Aqaba waar alles 10 à 15 % goedkoper was dan in de rest van Jordanië. De bedoeling was om investeringen uit het buitenland aan te trekken.

Voor we Aqaba binnenreden, moesten we de douane passeren want bij terugkeer uit Aqaba werden Jordaanse voertuigen volledig gecontroleerd en moest eventueel taks bijbetaald worden. Toeristenbussen werden niet gecontroleerd.

Aqaba lag minder dan 30 km van Saoudi Arabië en aan de overkant van de baai zagen we Eilat liggen, waar ik in de winter van ’92 geweest ben. Toen was er nog geen grensovergang tussen Israël en Jordanië. Nu was die er wel en we hadden de gelegenheid om Eilat te bezoeken maar daar zag ik niet echt het nut van in. Samen met de hele groep liepen we wat door de straatjes aangezien de kamers nog niet klaar waren. De vertaling van bepaalde gerechten liep soms wat moeilijk en aan een restaurant zagen we een uithangbord met “parpequ”, maar iedereen van ons wist wat het betekende. Aqaba deed vrij toeristisch aan maar toch herkenden we de winkeltjes en shops die vrij Arabisch aandeden.

Dag 17: vrijdag 9 november 2007

Voor het eerst en laatst op onze vakantie konden we wat uitslapen en relaxen. Het was al een druk programma geweest en dat kroop uiteraard in de kleren maar op deze manier hadden we natuurlijk al een hele boel gezien. Uitrusten konden we thuis ook nog.

Na het ontbijt wandelden we naar de Marina waar de Royal Yacht Club gevestigd was. Er was een omheining en een slagboom maar geen mens die ons tegenhield toen we gewoon doorliepen onder de slagboom. Er lagen een paar mooie en grote jachten en we keken uit over de baai en de Golf van Aqaba met Eilat aan de overkant. Na een kleine snack liepen we het dorpje in met zijn talloze winkeltjes. Het werd een doodeenvoudige dag met rondslenteren, de sfeer opsnuiven, shoppen, terrasje doen, kortom een ideale afsluiter van de vakantie die ons enorm meegevallen was.

Dag 18: zaterdag 10 november2007

We moesten al om 5u30 vertrekken naar Amman waar onze vlucht zou opstijgen om 11u30. Gelukkig hadden we een rechtstreekse vlucht naar Schiphol dus geen tussenlanding en geen gedoe. Het enige nadeel was dat alle plaatsen van op voorhand geregeld waren en iedereen een beetje kris kras door elkaar zat. Mits een beetje ruilen van plaatsen kwam ik naast Mia terecht wat nog goed meeviel. Alles verliep volgens schema en rond 16u landden we op Schiphol waar we een hele tijd moesten wachten op onze bagage maar op dit oponthoud zou het nu ook niet aankomen.

Deze reis was een organisatie van Baobab.