Egypte reisverhaal

Reisverhalen en foto's van Freddy en Linda

Reisverhaal Egypte

4 tot 28 november 2004

 

Dag 1: donderdag 4 november

Aangezien we deze morgen al om 6u45 op Schiphol moesten zijn, hebben we overnacht bij Amy en Laura in Utrecht. Amy bracht ons naar het vliegveld waar we kennis maakten met onze reisgenoten.

Onze vlucht met de B737 van Lufthansa vertrok om 9u15 en duurde 50 minuten tot Frankfurt waar we een tussenlanding maakten en waar we 3 uren moesten wachten. Met een A340-300 vlogen we naar Caïro waar we landden om 18u50 plaatselijke tijd (in Egypte is het 1u later dan in België)

Het visum was al geregeld door de plaatselijke agent van Djoser en daarom hadden we geen oponthoud want het enige wat we moesten doen was het zegeltje in onze paspoorten plakken.

Onze reisbegeleidster Marion Boone stond ons op te wachten en we reden naar het Happy City Hotel, een prima hotel met airco middenin oud Caïro.

’s Avonds aten we met de ganse groep een buffet op het dakterras van het hotel. Onze eerste kennismaking met het Egyptische eten viel een beetje tegen.

Dag 2: vrijdag 5 november

Om 8u30 vertrokken we voor een groepsexcursie in Caïro. We namen de taxi, waarvoor we 5 Egyptische pond per persoon per rit betaalden. (10 EP was ongeveer 1,2 euro) We reden eerst naar de Er Rifaï moskee die van buitenaf gezien heel indrukwekkend en groot was. De moskee was gebouwd in 1912 en ook aan de binnenkant was deze wel enorm. Binnen bevonden zich de graven van koning Foead, koning Faroek en de Sjah van Iran.

Daarna bezochten we het Egyptische museum waar we 40 EP entree betaalden. We hadden een beetje pech want vanaf 1 november waren alle toegangsprijzen in Egypte zomaar eventjes verdubbeld. Fotograferen en filmen was strikt verboden en alle foto- en videoapparatuur moest afgegeven worden aan de ingang. Er was geen proberen aan om toch een camera mee te nemen want voor het kopen van de kaartjes moesten alle tassen door de controle en bij het binnenkomen van het museum nog een keer!

We zijn niet echt museumliefhebbers maar het Egyptische museum moet men echt een keertje gezien hebben. Indrukwekkend, met als ultieme publiekstrekker het gouden masker en de sarcofaag van Toetanchamon.

Na de lunch bij Felfella brachten we een bezoek aan de Khan-El-Khalili, de grote soek van Caïro. Naast deze soek die grotendeels bestemd is voor de toeristen bevindt zich de Moeski, de Egyptische bazaar met levensmiddelen zoals vis, vlees, fruit, groenten ed.

In beide soeks heerste een drukte van jewelste, een hele mensenmassa wurmde zich overal doorheen. Door de smalle straatjes moesten dan ook nog auto’s, bromfietsers, mannen en vrouwen met enorme volgeladen zakken op het hoofd, volgeladen karretjes enz passeren.

Iedereen spreekt van de beruchte geuren van India maar dit was een stuk slechter. Een allesdoordringende stank wurmde zich je neusgaten binnen en ging ook niet meer weg. Op sommige plaatsen konden we bijna niet meer ademhalen. Ontelbare vliegen zaten op het rauwe vlees en de vissen die lagen te wachten op een klant.

In de late namiddag reden we terug naar het hotel dat een oase van rust was na al die drukte in de stad. In Caïro wisten ze echt wel iets van drukte af. Op straat waren altijd een hoop mensen te vinden, de chauffeurs waren echte kamikazepiloten die nooit een richting aanhielden maar overal kris kras doorheen vlogen. Als ze een gaatje zagen probeerden ze zich daar doorheen te wurmen. Mooie auto’s zag je hier dan ook niet. Alle auto’s waren afdankertjes die bij ons ongeveer 30 à 40 jaar geleden door de straten bolden. Hier konden de wagens dan ook niet roesten want het regende hier amper maar de wagens vielen echt bijna uit elkaar. Het resultaat van al die oude wagens was dat er boven Caïro een geweldige smog hing.

’s Avonds gingen we eten in Le Bistro, een restaurant met Franse gerechten, niet ver van het hotel gelegen.

Dag 3: zaterdag 6 november

We vertrokken om 8u richting Gizeh. Het plateau van Gizeh vormde de grens tussen Boven en Onder Egypte. De piramiden van Gizeh lagen aan de rand van de woestijn ongeveer 15 km van de stad. Het plateau was vrij uitgestekt met de graven van Cheops, Chefren en Mykerinos als uitblinkers. De piramiden waren opgebouwd met grote blokken van graniet. Het was bijna niet te geloven dat deze piramiden echt door mensenhanden gemaakt waren want ze waren echt heel indrukwekkend.

De sfinx, die het plateau moest bewaken, stond naast de piramide van Chefren. De sfinx was 72 m lang en 20 m hoog en was gebouwd naar de gelijkenis van Chefren met het lichaam van een leeuw. De sfinx met op de achtergrond de piramiden was een formidabel zicht.

Na de lunch reden we de woestijn in op weg naar de oase van Bahariya. We hadden al onmiddellijk het vermoeden dat er een mankement was aan de veringen van de bus want die bleef maar schokken wanneer hij door een put in de weg reed. Blijkbaar had de chauffeur dit niet door want die bleef maar verder rijden.

We reden door een desolaat landschap met zover je kon kijken zand, zand en nog eens zand.

Na 2u rijden kwamen we aan een cafetaria middenin de woestijn en daar zagen we dat er een grote plas olie onder de bus lag.

In de woestijn was geen enkel bereik met mobiele telefoon en in de cafetaria was ook geen telefoon. We hadden een begeleider mee van de politie die we ondertussen al de naam 007 gegeven hadden, die had wel een walkie talkie mee maar hij kon er hier ook niets mee doen. Prima bescherming dus!

Daardoor moest alle communicatie met Caïro voor een reservebus via bereidwillige chauffeurs gebeuren die in het volgende benzinestation misschien wel konden bellen.

Rond 16u15 kwam Marion zeggen dat er een reservebus zou komen uit Bahariya maar dat dit zeker 2u zou duren. We installeerden ons dan maar op het terras van de drankgelegenheid maar om 19u was er nog steeds geen bus. Nu hoorden we dat de reservebus uit Caïro zou komen (??) Op de duur begonnen we ons af te vragen of er uiteindelijk wel een bus zou komen en of we niet hier in de woestijn al onze eerste overnachting buiten zouden hebben. We hadden nog geluk dat we in die cafetaria zaten, hier konden we nog drankjes en koekjes kopen om honger en dorst te stillen.

Het bleef maar duren, we zagen verschillende bussen aankomen maar telkens bleken het lijnbussen te zijn tussen Caïro en Bahariya. Uiteindelijk kwam de bus om 21u30 onder luid gejuich van ons de parking opgereden.

Toen moesten we nog 2 uur rijden naar de oase van Bahariya die bij onze aankomst uitgestorven was en waar we ook nog moesten zoeken naar het hotel, smalle straatjes in en uit, om uiteindelijk tot het besef te komen dat de bus te groot was om tot aan het hotel te rijden. We moesten dus nog een eindje lopen maar om half één ’s nachts waren we dan uiteindelijk bij Hotel New Oasis.

 

Dag 4: zondag 7 november

In de voormiddag deden we het rustig aan en na de lunch maakten we een jeepsafari. Bahariya was een grote oase met vele kleine apocalyptische woestijndorpen. De huizen waren vervallen en grauw, geteisterd door de hitte en de hete zinderende woestijn. Alles lag onder een dikke laag stof en overal drong het zand je oren en neusgaten binnen.

We bezochten het museum van de gouden mummies waar 11 mummies onder glas lagen uitgestald. Deze werden ontdekt in 1999 en dateerden uit de Romeinse tijd. De echte mummificatie begon in de 4e dynastie met de ontwikkeling van kunstmatige balsemtechnieken. De organen werden verwijderd met uitzondering van het hart. Dan werd het lijk verduurzaamd met natron ( een natuurlijk mengsel van natriumzouten dat in en op het lichaam werd gestrooid om het te drogen, dit duurde 40 dagen) en in linnen gewikkeld.

Daarna bekeken we 2 tombes met muurschilderingen en fresco’s. De opgravingen gingen nog steeds verder want het vermoeden bestond dat er nog heel wat onder de grond lagen.

We zagen het zoute meer en een berg in de vorm van een piramide. Het landschap was overweldigend.

De koude (35 graden) en hete (45 graden) bronnen met ijzerhoudend water waren niet zo bijzonder. Deze werden gebruikt door de bewoners van de oase voor het baden, het wassen van auto’s enz.

Op de zwarte berg, de 50m hoge Jebel-Al-Ingreez, waar de overblijfselen stonden van een Britse uitkijkpost van het leger, wachtten we de zonsondergang af. Hier hadden we een weids uitzicht over de oase en de zwarte heuvels die hun kleur ontleenden aan de aanwezigheid van mineralen in de bodem. Werkelijk spectaculair!

’s Avonds aten we in het hotel omdat er verder geen mogelijkheden waren. We moeten wel toegeven dat het personeel (als je dat al personeel kon noemen) niet voorbereid was om te koken voor een hele groep mensen. Het duurde weer uren, net zoals de lunch deze middag. We wisten al wel dat het in sommige landen niet altijd van een leien dakje liep maar hier was het wel extreem.

Wat ons ook een beetje ergerde was dat we volledig afhankelijk waren, van het eten zelf en het tijdstip waarop we het kregen. We hadden geen enkele kans om zelf iets te kopen of iets te eten waar en wanneer wij dat wilden. Als het tijdstip aangebroken was dat we eindelijk iets te eten kregen, waren we half uitgehongerd. Steeds kregen we dan enorme schalen met tomaten en komkommer maar daar durfden we niet van eten omdat deze gespoeld waren in het lokale water.

Dag 5: maandag 8 november

We zouden om 9u vertrekken voor de jeepsafari naar de witte woestijn maar uiteindelijk werd het 11u! Ja tijd hadden ze hier genoeg!

Eerst duurde het eindeloos voor er een ontbijt klaargemaakt werd en toen duurde het weer uren voor de jeeps geladen waren. Toen we dan eindelijk vertrokken waren, moesten de chauffeurs nog stoppen op de markt om de inkopen te doen!

Eerst reden we een heel stuk door de zwarte woestijn, deze bestond uit zand met stukken basalt en zwarte ijzerhoudende stenen die gescheurd en kapot waren door de hitte. De kleinere stukjes waaiden weg en daardoor kreeg je grillige vormen tussen de zwarte kleur van het basalt en de zandkleur. De hele omgeving was heel indrukwekkend en prachtig.

In een verlaten bedoeïnendorp gingen we lunchen, brood met tomaten en tonijnsla.

We stopten aan de kristallen berg waar de kwartsaders glinsterden en schitterden in de zon.

In Agabat begon de witte woestijn, er werd hier een onderscheid gemaakt tussen de oude en nieuwe witte woestijn. Het leek op een besneeuwd maanlandschap met ontelbare witte kalkstenen rotsformaties die door de wind geërodeerd waren en daardoor paddestoelachtige vormen hadden. Gewoon subliem!

Rond 17u arriveerden we op de plaats waar we het kamp zouden opslaan om te overnachten. De jeeps werden in een hoek gezet en daartussen werden doeken gespannen en dekens op de grond gelegd. De kok maakte macaroni voor ons en alle chauffeurs zongen en maakten muziek.

Het merendeel van de groepsleden ging buiten het kamp slapen want dit gaf in feite nog een extra dimensie aan het overnachten onder de blote sterrenhemel. Vanonder onze dekens konden we kijken naar de melkweg en ontelbare heldere sterren. Fantastisch! Zoiets hadden we nog nooit meegemaakt. We voelden ons zo nietig in zo een weidse omgeving.

Dag 6: dinsdag 9 november

Het ontwaken in de open en gezonde lucht van de witte woestijn was weer een geweldige ervaring. Niet met woorden te omschrijven.

Na het ontbijt vertrokken we naar Farafra waar we in een hotel konden zwemmen, douchen en lunchen in afwachting van ons vertrek naar Dakhla. We bleven daar tot 15u wat achteraf bekeken veel te lang was want daardoor kwamen we pas om 19u30 aan in het Mebarez Hotel.

Soms hadden we het gevoel dat ¾ van deze reis bestond uit wachten, was het niet het wachten op de chauffeurs dan wel op het eten of iets dergelijks.

De rit naar Dakhla was niet bijster interessant want we reden door een gebied met uitgestrekte zandduinen die deel uitmaakten van de Grote Zandzee.

 

Dag 7: woensdag 10 november

Deze voormiddag deden we een excursie in de omgeving van Mut. Eerst bezochten we Muzawaka waar verschillende graven en tombes in het gebergte waren met skeletten en mummies uit de Romeinse tijd. De mummies zouden ongeveer 2000 jaar oud zijn. Hier was geen sprake van mummificatietechniek maar eerder van natuurlijke mummificatie. De lijken werden in eenvoudige zandgraven gelegd en het zand absorbeerde daarop het lichaamsvocht waarna het lijk uitdroogde en op die manier werd het weefsel geconserveerd.

We zagen hier ook de restanten van een waterput van 15m diep.

Daarna reden we naar El Kasr, een oud onbewoond Islamitisch dorp uit de Middeleeuwen. De smalle straatjes vormden een echt labyrint. De huizen waren van gedroogde leemsteen en boven de deuren waren houten balken met Arabische tekens erin gekerfd. We bezochten hier de Nasi El Din minaret en de oude moskee. Er stond ook een olijfpers en een molen om graan te malen. De Madresa werd ’s morgens gebruikt als gerechtsgebouw en ’s namiddags als school. In de school stond een soort muziekinstrument waarmee de koranleraar de kinderen opriep.

Na de uitstap lunchten we bij Abu Mohamed, in zijn restaurant lagen een 10-tal jaaragenda’s waarin allerlei commentaren waren geschreven van zijn vroegere klanten. In dit restaurant hadden ze wel bier wat niet altijd het geval was in de oases tijdens de ramadan.

Mut was een typische woestijnstad waar alles onder een dikke laag stof lag. Dit kon ook niet anders want in de woestijn regende het amper 48u per jaar.

Deze namiddag konden we een ritje maken op een kameel maar daar hadden we geen zin in en dus installeerden we ons op de binnenplaats van het hotel maar daar werden we gek van de miljoenen vliegen die rond ons zwermden en op onze oren, neus, armen en benen gingen zitten.

We gingen dan maar op bed liggen met de airco aan, dan bleven de vliegen tenminste weg.

’s Avonds gingen we linzensoep en rijst met gegrilde kip eten bij Arabi Restaurant en dat beviel ons heel goed.

Dag 8: donderdag 11 november

Om 8u reden we weg richting Kharga.

Onderweg zagen we een begraafplaats, hier werden geen marmeren stenen gebruikt om het graf te bedekken zoals bij ons maar was de grafzerk en het kruis gemaakt van zand en leem.

In Balat bezochten we de mastaba de Khentika uit de 6e dynastie. Van buiten leek de tombe op een omgekeerde piramide, binnenin waren mooie muurschilderingen.

In Bashandi bezochten we Romeinse graven met fresco’s die goed bewaard waren gebleven. Daarna wandelden we door het oude dorp met zijn nauwe straatjes en bekeken het kerkhof en het schooltje. We zagen hier het dagelijkse leven van de woestijnbewoners die in alle eenvoud leefden.

Onderweg stopte de chauffeur aan een berg die de vorm had van een kameel en even verder lunchten we bij een kleine cafetaria.

In de omgeving van Kharga bezochten we de necropool van Bagawat, een oud christelijk dorp uit de 2e tot 7e na Chr waarvan nu nog 263 kapelletjes overbleven. Een paar daarvan waren nog goed bewaard zoals de Kapel van de Vrede, met de mooie muurschilderingen, die dateerde uit de 5e à 6e eeuw. In de Kapel van Exodus zagen we primitieve muurschilderingen uit het oude testament. De gids liet ons ook een babymummie zien.

De zon scheen hier ongenadig op het hete zand waardoor het zeker 35 à 40 graden was.

Daarna reden we naar de Hibis tempel, deze waren ze aan het restaureren en zodoende stond de tempel in de stellingen. Daardoor was er niet zo veel te zien.

We reden de ganse oase Kharga door en bereikten ons hotel Hamadalla Safari Club, gelegen in the middle of nowhere. De kamers lagen in kleine gebouwtjes die gegroepeerd stonden rond een centraal gebouw.

We mochten niet op eigen houtje naar het stadje Kharga toegaan, dit was ten strengste verboden. Daardoor reden we in de late namiddag met onze bus naar de stad, terug onder politiebegeleiding trouwens, om inkopen te doen voor de treinreis van de volgende dag. Sommige winkels waren dicht omdat het juist iftar was, namelijk het verbreken van de ramadan bij zonsondergang. Iedereen spoedde zich dan naar huis om te eten en daarna gingen de winkels terug open.

’s Avonds waren we dus verplicht om in het hotel te eten waar terug geen bier te krijgen was omwille van de ramadan.

Dag 9: vrijdag 12 november

Toen we deze morgen de bagage aan de bus gingen zetten, zagen we dat de grote toegangspoort van het hotel wel dicht was maar dat de bewaker onder een deken zat te slapen. Prima waakhond!

We vertrokken om 7u30 naar Assyut waar we om 12u de trein zouden nemen naar Aswan. Een eindje voor Assyut werden we al begeleid door politiewagens met loeiende sirenes, heel indrukwekkend al dat machtsvertoon.

Het station was vrij eenvoudig met 2 perrons. Op de trein zelf was het een heel gedoe omdat onze gereserveerde plaatsen al ingenomen waren door lokale mensen. Er was een centraal gangpad met aan weerskanten 2 comfortabele verstelbare stoelen en de bagage werd in rekken boven ons hoofd gestockeerd. De zetels konden per 2 omgedraaid worden zodat men met 4 personen kon samen zitten. Er was veel ruimte tussen de stoelen en zo hadden we nog een aangename reis, er was airco en daardoor was het niet zo warm.

In de gang stonden veel Egyptenaren die wel een kaartje hadden voor een staanplaats en daardoor telkens op zoek gingen naar een lege zitplaats. Vanaf het moment dat iemand zijn zitplaats verliet, werd deze gauw ingenomen.

Ook hier in de trein zagen we mannen die hun gebeden lazen uit een kleine koran, dit deden ze telkens ze niet de gelegenheid hadden om naar de moskee te gaan.

Door de vuile ramen van de trein zagen we de Nijl en de talloze kleine dorpjes met zijn landbouwgebied en het dagelijkse leven aan ons voorbijglijden.

Rond 20u30 kwamen we aan in het station van Aswan en onze bus bracht ons naar het Isis Hotel, een 4 sterren hotel aan de Nijl, de rivier die 6700 km lang was en door 10 landen stroomde.

 

Dag 10: zaterdag 13 november

We maakten een excursie naar de Hoge Dam, de Philae tempel en de onvoltooide obelisk.

De oude dam werd gebouwd tussen 1898 en 1902 door Engelse ingenieurs maar al snel bleek de dam niet hoog genoeg om overstromingen te verkomen. In 1912 werd de dam 5 meter verhoogd en in 1934 werd hij voor de 2e keer verhoogd. Maar de dam bleek nog steeds niet toereikend en daarom besloot Nasser om een nieuwe dam te bouwen die nu een eind verder stroomopwaarts lag. De dam werd op deze plaats gebouwd omdat er een granietgroeve was en omdat hier het smalste gedeelte van de Nijl was.

Bij de bouw ondervond Nasser 3 problemen: de Nubiërs, de tempels in het gebied en geld.

De Nubiërs die tussen Egypte en Soedan woonden, moesten volgens Nasser verhuizen naar een plaats 40 km ten noorden van Aswan, daardoor keerden de Nubiërs zich tegen Nasser.

Door de bouw van de dam zou er een kunstmatig meer worden gevormd (het Nassermeer) en hierdoor kwam het water 70 meter hoger te staan. Om de tempels te redden werden 22 tempels verplaatst en 5 tempels werden geschonken aan andere landen waaronder Nederland, VS, Spanje, Duitsland en Italië.

Het derde probleem was geld en Nasser onderhandelde met de Russen en Amerikanen maar de Amerikanen trokken zich terug. Nasser besloot daarop om het Suez kanaal dat gecontroleerd werd door Frankrijk, Engeland en Egypte te privatiseren en zo had hij na 4 jaar genoeg geld om de dam te bouwen. De bouw gebeurde tussen 1960 en 1971 en werd voltooid door Sadat omdat Nasser ondertussen al overleden was.

De nieuwe dam was vooral bedoeld om elektriciteit te leveren en 17 % van de electriciteit voor gans Egypte werd hier ook geproduceerd. De dam was gebouwd in de vorm van een piramide. Aan de voet was deze 980 m breed en aan de top was deze slechts 40 m breed. Aan de kant van het Nassermeer bedroeg het waterniveau 180 m en volgens onze gids zaten er krokodillen in.

Aan de dam stond een toren in de vorm van een lotusbloem, deze was bedoeld als vriendschapsmonument. Naast de toren stond de Kalbsha tempel.

Op de dam mochten we wel foto’s maken maar niet filmen en er was strenge politiecontrole.

Onderweg zagen we de universiteit van Aswan waar het in de zomer geen pretje was om te studeren, het was er 55 graden en er was geen airco.

Daarna reden we naar de tempel van Philae die ook verplaatst was omwille van de bouw van de dam. We moesten eerst met de boot naar het kleine eiland Agilka waar de tempel stond. De Unesco heeft na de verplaatsing de tempel gerestaureerd want deze dateerde al uit de 3e eeuw voor Chr. Oorspronkelijk werd hier Isis aanbeden, één van de belangrijkste godinnen uit de Egyptische oudheid.

De tempel met de zuilengalerijen met wonderlijke en allemaal verschillende kapitelen en bijzondere bas-reliëfs was prachtig, mede door zijn unieke ligging op het eiland.

Op weg naar de onvoltooide obelisk zagen we de geel en oranje geschilderde huizen van de Nubiërs, dit deden ze om de zonnestralen te reflecteren. Er waren ook huizen met bovenop een koepel, dit had hetzelfde effect en zo zou het binnenin het huis veel koeler zijn.

De onvoltooide obelisk lag in een grote granietgroeve. De obelisk werd nooit afgewerkt omdat er een barst kwam in het graniet, 3 kanten waren afgewerkt maar de vierde kant hing nog vast in de rotsen.

In de namiddag gingen we door de soek lopen. Deze was een beetje zoals in Caïro met een gedeelte voor de Egyptenaren zelf waar ze vlees, fruit, groenten enz konden kopen en het andere deel met waterpijpen, t-shirts, kruiden en andere souvenirs was bestemd voor toeristen. Door een Arabische soek lopen was altijd een hele belevenis en zeker de moeite waard. De verkopers waren wel ronduit vervelend, iedereen trachtte om ons in zijn winkel binnen te krijgen en zeurden ons de oren van het hoofd.

In een winkel kochten we 4 canopen. Dit waren beeldjes met de afbeeldingen van Ra, Segmet, Annubis en Horus en in de tijd van de farao’s werden ze gebruikt om de gebalsemde organen te bewaren. De darmen, maag, lever en longen kregen elk een eigen vaas (een canoop) en die werden naast de sarcofaag in het graf geplaatst.

’s Avonds gingen we in een klein winkeltje een paar pakjes droge koeken kopen en de verkoper vroeg een exorbitant bedrag. Hij had waarschijnlijk niet verwacht dat we ondertussen de prijzen al wat kenden en daardoor moesten we afdingen voor onze 3 pakjes koeken. Deze man wou echt het geld uit onze zakken jagen, waarschijnlijk waren er wel toeristen die deze bedragen dan ook betaalden.

Deze avond was er een enorme herrie op straat want het einde van de ramadan was aangebroken. Iedereen vierde de Id-al-Fitr, het suikerfeest, dat drie dagen zou duren en waarbij iedereen nieuwe kleding droeg en geschenken gaf.

Dag 11: zondag 14 november

Om 3u deze nacht (of morgen?) werden we gewekt om naar Abu Simbel te rijden. Dit moest in konvooi gebeuren maar achteraf stelden we ons wel de vraag waarom? Er was geen enkele politiebegeleiding en alle bussen reden ver uit elkaar.

De rit naar Abu Simbel was eentonig, één en al woestijn, en duurde ongeveer 3 uur. Het dorpje Abu Simbel was klein en de bevolking bestond voor 90 % uit Nubiërs, de andere 10 % waren Egyptenaren. Het leven voor deze mensen was heel eentonig en simpel, er was geen internet, geen bioscoop, de kinderen konden wel voetballen maar dat was ook alles, er was geen verder vertier. Er waren wel kleine koffieshops maar daar kon men alleen thee krijgen, zeker geen alcohol.

De tempel van Abu Simbel was volledig opgedragen aan farao Ramses II. Deze tempel was, evenals die van Philae, door de bouw van de hoge dam met de verdrinkingsdood bedreigd. Dus werd hij eerst in blokken gezaagd en 200m landinwaarts op een 60m hoog rotsplateau terug opgebouwd.

De tempel was werkelijk uniek met zijn 65m lengte en 20m hoogte en de 4 kolossen van Ramses II. Deze farao kwam indertijd naar Nubië, het land van het goud, omdat hij trouwde met een Nubische vrouw. Uiteindelijk was hij getrouwd met 70 vrouwen waarvan Nefertari zijn meest geliefde was.

Ramses was 24 jaar toen hij de troon besteeg en hij regeerde 67 jaar over Egypte. Hij was 91 jaar toen hij stierf.

De tempel was indrukwekkend. Binnenin kwamen we in een zaal met 8 Osiriszuilen en heel mooie reliëfs. We mochten wel filmen maar geen foto’s maken (begrijpe wie kan) Er liep wel een bewaker rond die telkens zei “kein foto” maar iedereen fotografeerde er lustig op los.

Naast de grote tempel stond de tempel van de koningin die opgericht werd ter ere van Nefertari. Aan de voorkant stonden 2 beelden van haar maar ook 4 beelden van Ramses. Ook hier zagen we binnenin klassieke taferelen en afbeeldingen van offergaven.

Al bij al was dit weer een unieke belevenis en zeker niet te missen.

Aan de uitgang waren ontelbare souvenirstalletjes waar gigantische bedragen gevraagd werden en deze werden waarschijnlijk door sommigen ook betaald want afdingen hielp hier niet.

Op de terugweg zagen we een echte fata morgana in de woestijn. Het leek alsof er een enorme plas water stond maar die was er helemaal niet. Heel merkwaardig!

’s Namiddags gingen we weer door de soek lopen maar veel zaken waren dicht vanwege het suikerfeest. Het was een beetje een dooie boel, de dag hiervoor was het veel leuker.

In de soek was alles uiteraard “very cheap” of zelfs gratis als je de verkopers moest geloven. Velen riepen “alles voor 1 euro” of voor 5 pond. Dit duurde totdat je de winkel binnen ging en dan kwam je uiteraard bedrogen uit, dan was de 1 euro voor een kinder t-shirt in plaats van voor een groot t-shirt of iets dergelijks.

Dag 12: maandag 15 november

Normaal gingen we een feloekatocht maken en ook op de boot overnachten maar daar hadden we niet zo een zin in. Aangezien Annie en Henk ook niet meegingen omdat Henk ziek was, beslisten we om samen met hen een nacht langer in Aswan te blijven en de dag daarop de groep te vervoegen in Kom Ombo.

We wuifden de groep uit en slenterden nog wat door de straten. Op een terrasje aan de Nijl dronken we ’s middags een biertje en daar zagen we 2 hele varkens aan boord brengen van één van de cruiseschepen. De varkens werden aan een haak gehangen op het achterdek en daar in stukken gesneden.

In de late namiddag gingen we de soek in om een waterpijp te kopen. De kerel vroeg er een fabelachtige prijs voor en daardoor duurde het weer een tijdje voordat de koop beklonken was maar wij waren tevreden want we hadden de waterpijp voor de prijs die we er wilden voor geven.

 

Dag 13: dinsdag 16 november

Deze morgen stond de bus om 7u30 aan het hotel om ons naar Kom Ombo te brengen waar de groep ons zou opwachten na de feloekatocht. Op de verzamelplaats moesten we weer wachten tot 8u om in konvooi en onder politiebegeleiding te vertrekken.

Na het ophalen van de andere groepsleden reden we naar Edfu waar een tempel stond die opgedragen was aan Horus. De tempel was tamelijk groot en we hadden maar beperkt de tijd omdat we in konvooi verder moesten naar Luxor.

De hoofdpyloon was 36m hoog en versierd met afbeeldingen van de goden. Er was zoals in alle tempels een binnenhof met zuilen en kapitelen die bedekt waren met bas-reliëfs. In de zuilenzalen was het halfduister en dit gaf een mystieke sfeer. Op de muren stonden rituelen en ceremonies afgebeeld.

De tempel verkeerde in een uitstekende staat omdat hij vroeger voor de helft onder het zand bedolven zat.

Onderweg hadden we vanuit de bus een prachtig zicht op het dagelijkse leven van de Egyptische bevolking in de kleinere dorpen en het platteland. We zagen kleine koffieshops waar oude mannen in alle rust hun sheesha rookten, ezels en ezelskarren volgeladen met groenten en allerlei dagdagelijkse dingen, schaapherders pasten op hun kudde schapen. We vonden het prachtig om te zien hoe de plattelandsbevolking hun dagen vulden.

Hotel Mercure in Luxor was een luxe hotel dat niet veraf lag van de Luxor tempel. In de namiddag gingen we Luxor verkennen waar de toeristensoek heel rustig was en iedereen ons met rust liet. Dit was een ware verademing na al het aandringen in de ander soeks.

De mannen die feloeka’s en calèches verhuurden, waren dan weer van een ander ras. Zij zeurden ons de oren van het hoofd! De boodschap was om alles en iedereen te negeren, stoïcijns kalm te blijven en gewoon door te lopen.

Restaurant Marhaba naast de Luxor tempel had een mooi terras op de eerste verdieping met uitzicht op de tempel en daar gingen we een biertje drinken. Het was er gezellig zitten en we namen ons voor om daar ook te eten op één van de volgende dagen.

’s Avonds aten we in het Italiaanse restaurant Dakka in het hotel.

Dag 14: woensdag 17 november

’s Morgens moesten we om 5u45 al vertrekken nar de necropool Thebe, de dodenstad op de linkeroever van de Nijl.

Met de boot staken we de Nijl over en met minibusjes bezochten we de verschillende sites. De dodenstad lag in een afgelegen dor dal. In de vallei der koningen, waar alle farao’s begraven lagen, was er boven de grond in feite niet zo veel te zien. De graven lagen verspreid aan de voet van een grote rots maar van boven zagen we enkel de openingen want de graven lagen verstopt onder de grond. Ook de ingangen werden indertijd zodanig verstopt maar toch werden bijna alle graven geplunderd.

Voor een ticket van 55 EP konden we drie graven bezoeken, sommige waren gesloten en dus bezochten we de graven van Ramses VI, Ramses III en Seti II.

Bij elk graf kwamen we eerst in een lange gang met muurschilderingen die handelden over de reis naar en het leven in het hiernamaals. Pas daarna kwamen we in de eigenlijke grafkamer waar soms nog een sarcofaag stond. Bij Ramses VI was het grafmonument stukgeslagen.

In het graf van Seti II zagen we de mummie van een onbekende man.

Buiten de muurschilderingen was er in feite niets anders meer te zien want alle voorwerpen die nog in het graf weergevonden werden, stonden nu in een of ander museum.

Daarna bezochten we de tempel van Hatsjepsoet die terrasgewijs opgebouwd was aan de voet van een imposante en steile kalkstenen wand. In 1997 had hier een aanslag plaatsgevonden en werden ook verschillende toeristen vermoord. Alles was nu streng beveiligd en alle tassen werden gecontroleerd. Zakmessen ed moesten we afgeven maar konden we na het bezoek ook terug ophalen. Op het eerste terras waren overblijfselen te zien van mooie fresco’s.

In de omgeving stopten we aan een winkel waar ze basalt verwerkten tot siervoorwerpen. We kregen de mogelijkheid om te kopen maar alles was extreem duur.

Na dit bezoek reden we door naar Deir-El-Medina waar vroeger de kunstenaars (metselaars, schilders en graveurs) woonden die in de necropool werkten. De overblijfselen van de huizen en de indeling van het dorp waren nog heel duidelijk, alhoewel de muren nog ongeveer een meter hoog waren.

Ook hier konden we twee graven bezoeken: dat van Sennutem en van Anherkha. De ingang en gangen waren heel nauw en binnenin was het snikheet. Sennutem was indertijd één van de verantwoordelijken van de dodenstad en Anherkha was één van de opzichters van de werf. Het laatste graf was wel minder goed bewaard.

Als laatste stopten we aan de kolossen van Memnon, 2 indrukwekkende beelden van 19,5m hoog. Zij waren de bewakers van Amenhoteps dodentempel maar berovingen, overstromingen en de tand des tijds eisten hun tol en nu bleven enkel 2 enorme beelden zonder gezicht over.

In de namiddag dwaalden we terug door de soek en dronken bier op een terras.

’s Avonds liepen we langs de verlichte Luxor tempel wat ook weer prachtige foto’s opleverde.

Dag 15: donderdag 18 november

’s Morgens reden we per calèche naar de 2 km verder gelegen tempel van Karnak. Karnak bleek de mooiste tempel van al degene die we tot nu toe gezien hadden in Egypte, gigantisch groot en opgedragen aan de god Amon.

De tempel werd indertijd altijd maar vergroot en aangepast door de verschillende farao’s. Bij het betreden moesten we eerst de sfinxen met het hoofd van een ram passeren.

De voorhof was omgeven door zuilengalerijen maar de zuilenzaal was werkelijk het hoogtepunt. Hier stonden 134 massieve en indrukwekkende zuilen van 23m hoog. De hele zaal was 102m lang en 53m breed en inderdaad heel imposant. Muren en zuilen waren bedekt met bas-reliëfs en restanten van muurschilderingen. Een heel prachtige tempel, niet te missen.

In de namiddag sliepen we een paar uurtjes want we vonden deze reis best vermoeiend, misschien ook door de warmte. We prezen ons gelukkig dat we hier niet liepen gedurende de maanden juli en augustus want dan moest het hier werkelijk snikheet zijn.

’s Avonds aten we in restaurant Marhaba naast de Luxor tempel. Zij hadden een uitgebreide kaart en we besloten om de mixed grill te nemen. Dit bleek een voortreffelijke keuze. We zaten buiten op het dakterras van de 1e verdieping. Het was er heel gezellig en proper, wat niet altijd het geval was in Egypte.

 

Dag 16: vrijdag 19 november

Deze morgen bezochten we de tempel van Luxor want dat hadden we tot nu toe steeds uitgesteld. De tempel was middenin de stad gelegen en evenals die van Karnak gewijd aan de god Amon. Vroeger stonden er 2 obelisken maar daarvan was slechts 1 overgebleven en de andere stond nu in Parijs op de Place de la Concorde.

Langs de sfinxenlaan kwamen we in de tempel en zoals in Karnak zagen we ook hier weer de zuilengalerijen met binnenplaatsen en offerandekamers en dan het eigenlijke heiligendom. Er waren eveneens bas-reliëfs en een paar kleurrijke muurschilderingen maar toch was alles minder indrukwekkend dan in Karnak.

Na het bezoek liepen we naar de Egyptische markt. We hebben tijdens onze vorige reizen al verschillende markten gezien maar dit was toch wel één van de vuilste. Alles lag onder een dikke laag stof. Het vlees, met kop (zo kon men zien van welk dier het vlees afkomstig was) en ingewanden inclusief, zat onder een dikke laag vliegen. Ook de (verse?) vis was bijna niet te bespeuren onder de miljoenen vliegen, verder zagen we nog groenten, fruit, kleding en alle rotzooi die men zich maar kon inbeelden. Oude mannetjes of vrouwtjes zaten op de grond en wilden een paar tomaten of bananen of groenten verkopen, echt zielig. Dit was het Egyptische leven zeg maar. Voor hun was de verkoop van een kilootje fruit of groenten waarschijnlijk een kwestie van overleven.

Dag 17: zaterdag 20 november

We zouden aan het hotel vertrekken om 7u maar zoals gewoonlijk werd het terug half acht. We hadden nu echt het gevoel dat ¾ van onze reis bestond uit wachten. We moesten weer naar een verzamelplaats want we moesten in konvooi naar Hurghada, een rit van ongeveer 5u.

Rond 12u30 kwamen we in Hurghada en ons Hotel White Albatros lag in de wijk Sigala. Hurghada was een moderne stad die zich uitstrekte over ongeveer 30 km, het was een badplaats in volle expansie waar hotels als paddestoelen uit de grond schoten. Het was er heel druk met honderden restaurants en souvenirstalletjes.

In restaurant Giardino aten we shish kebab en kofta met rijst. Dit restaurant was een echte aanrader, heel proper en met vriendelijk personeel.

Hurghada was een echte toeristische ramp met zeurende verkopers en hele horden toeristen die het blijkbaar leuk vonden om hier een week met vakantie te zijn. Voor ons en ook de andere groepsleden was het een echte afknapper en iedereen was blij dat we hier maar een dagje hoefden te blijven.

’s Avonds hadden we het plan opgevat om te eten bij Samos, een Grieks restaurant, maar we liepen per ongeluk het restaurant naast Samos binnen en hadden al besteld voor we onze vergissing bemerkten. De naam van het restaurant herinnerde ik me achteraf niet meer maar dat was ook niet nodig want het was niet de moeite waard.

Dag 18: zondag 21 november

Deze nacht werd ik heel ziek met verschrikkelijke maagkrampen, waarschijnlijk door het eten van gisterenavond. Daardoor deden we het rustig aan tot in de namiddag en na een lichte maaltijd zaten we op het balkon van onze kamer alle drukte en herrie gade te slaan en ons te verheugen op het vertrek uit deze toeristische ramp de volgende dag.

In de late namiddag zagen we een pickup voorbij rijden met achterop een rookkanon dat een hele sliert rook door de straten spoot. Je kon geen meter ver meer kijken en alle wagens moesten een tijdje stoppen tot de rook weggetrokken was. Achteraf bleek dit een insecticide te zijn dat men gewoon door de straten spoot tegen de insecten. Heel gezond zouden we zeggen.

Dag 19: maandag 22 november

Wake up call om 2u ’s nachts. Een half uur later vertrokken we naar de haven waar we de hogesnelheidsferry naar Sharm el Sheik zouden nemen. Eerst moesten we lang aanschuiven voor een paspoortcontrole en ook alle bagage werd hier gescand! Dit alles gebeurde op zijn Egyptisch m.a.w wanordelijk en heel chaotisch.

De boot vertrok om 4u en we zaten in een soort vliegtuigstoelen. Er was een kiosk waar men thee, koffie en frisdrank kon krijgen. Het was ongeveer dezelfde boot die tussen Bretagne en de Kanaaleilanden ging maar dan wel veel vuiler en minder goed onderhouden.

Rond 6u waren we in Sharm el Sheik waar de bagage terug gescand werd (ja inderdaad!) en zo werd het uiteindelijk half acht eer onze bus vertrok.

We hadden nu 2 bussen, eentje voor 15 mensen waar we voorheen met 20 en meer personen inzaten, en nog een kleintje voor 5 mensen. De voorbije dagen was er een tussentijdse evaluatie geweest en iedereen had kritiek omdat we steeds zo krap zaten in de bus. We waren met 19 groepsleden + Marion maar meestal reed ook nog een plaatselijke gids en iemand van de politie mee en die namen ook een plaats in.

We reden door de Sinaï woestijn naar het St Catharina klooster. De Sinaï woestijn was heel anders dan de zwarte en witte woestijn maar ook heel prachtig. In de rotsen waren verschillende kleuren te zien door de oxidatie van mineralen, roze, rood, bruin, geel, paars, werkelijk een kleurenpalet.

Onderweg zagen we bedoeïnententen en hutjes tussen de hoge plateau’s. Sommige bedoeïnen reden op hun kameel door de hete zinderende woestijn.

Het St Catharina klooster was mooi door zijn unieke ligging tussen de rotsachtige bergen maar binnenin was het de moeite niet waard en overbevolkt door toeristen waaronder veel Russen die zich overal voordrongen. Het klooster lag op 1570m en daardoor was het hier ook heel fris. Een blikvanger was de klokkentoren uit 1871 waarin 9 klokken hingen maar deze werden alleen geluid op orthodoxe feestdagen.

Ons hotel Al Wadi Al Mouquduss lag in het onooglijke dorpje St Catharina, 3km van het klooster. Het dorp was heel kleinschalig met 1 straat, 2 kleine restaurants waar we niet wilden eten als we alleen maar de buitenkant al bekeken en 3 winkeltjes. Volgens een verkoper in één van de winkeltjes was het hier 7 maanden per jaar koud. En het was hier inderdaad berekoud, in de zon en uit de wind ging het nog maar door het dorp waaide een huilende en gierende wind die alle vuil en stof door de verlaten straten joeg.

Sommige mannen van het hotelpersoneel hadden 1 of 2 zwarte strepen op het voorhoofd, die kregen ze door het bidden elke dag (door het vele buigen) en daar waren ze enorm fier op. Aan die strepen was te zien dat zij goede moslims waren.

De hele verdere dag kwamen we de kamer niet meer uit en om 20u lagen we al in bed.

 

Dag 20: dinsdag 23 november

Het voorziene vertrek om 9u werd weer verlaat naar 9u45. Gedurende deze ganse Egypte reis waren we nog nooit op tijd vertrokken laat staan op tijd aangekomen.

We maakten diverse fotostops want de Sinaï woestijn was werkelijk magnifiek, een wonder der natuur.

Rond de middag kwamen we aan in het Happy Life Resort in Dahab, een 4 sterren resort gelegen in the middle of nowhere. Het lag een heel eind van het stadje af, langs een slechte zandweg, maar het hotel had alle faciliteiten.

’s Middags lunchten we aan het zwembad en liepen tot aan het strand waar men kon duiken en snorkelen.

Sinds vandaag heerste hier een sprinkhanenplaag. Miljoenen rode reuzensprinkhanen zaten of zwermden langs het strand. Volgens het personeel zouden deze sprinkhanen uit Caïro overgekomen zijn. Echt last hadden we er niet van want sprinkhanen bijten immers niet.

Dag 21: woensdag 24 november

We maakten met 6 andere groepsleden een jeepexcursie naar de White Canyon en Closed Canyon.

In White Canyon moesten we afdalen en konden we een heel eind door de canyon lopen en langs de ander kant weer omhoog klimmen.

Closed Canyon was aan de ene kant gesloten en dus moesten we daar langs dezelfde weg terug.

Beide canyons waren echt een wonder der natuur. We liepen tussen metershoge steile rotswanden en klauterden over allerlei rotsblokken. Op sommige momenten moesten we ons echt al schurend langs de rotsen door smalle spleten heen wurmen. Op sommige plaatsen was het best eng en soms lastig maar we werden goed geholpen door de plaatselijke gids die met ons mee ging. We moesten zelfs eens zijn hoofddoek beetnemen waarmee hij ons over een rotsspleet trok omdat er verder geen houvast was aan de rotsen zelf. Achteraf waren alle deelnemers blij dat ze het aangedurfd hadden en het fenomeen aanschouwd hadden.

In de late namiddag reden we naar het centrum van Dahab, wat goud betekende. Het was een beetje een flower power stadje dat opgerezen was uit het niets maar waar nu driftig gebouwd werd. Hier waren eveneens ontelbare winkeltjes en een paar waterpijpcafeetjes. Langs het strand waren restaurants bij de vleet maar toch oogde alles heel wat gezelliger dan in Hurghada.

Dag 22: donderdag 25 november

Deze dag gingen we snorkelen, dit kon hier vanaf het strand. We konden de zee ingaan langs afgebakende paadjes zodat we het koraal niet konden beschadigen. Dit was wel even anders dan in Hurghada waar al veel koraal beschadigd of vernietigd was door toeristen en boten.

De onderwaterwereld was werkelijk wonderbaar met prachtig koraal en veelkleurige vissen. Hier kon men zich echt uren aan een stuk vermaken.

In de late namiddag reden we met een taxi andermaal naar Dahab. In het stadje zelf was niet zo echt veel te zien maar bij het hotel zakte de zon rond 16u achter de bergen en dan werd het wel koud. Dus liepen we liever een beetje door de straten van het stadje dan in onze kamer te zitten in het hotel.

Om terug te keren, vroegen we weer een taxi maar dit bleek een probleem. De taxichauffeur wist het hotel niet liggen en dus moest hij eerst een vriend vragen om mee te rijden. Die zei dat we een jeep nodig hadden vanwege de slechte weg. Toen we terug wilden uitstappen, besliste de chauffeur toch naar het hotel te rijden. Het was me het ritje wel, op de slechte zandweg rammelde de auto bijna uit elkaar!

Dag 23: vrijdag 26 november

Zoals gewoonlijk vertrokken we een half uur later dan gepland maar we kregen een prettige verrassing want er kwam een grote bus voorrijden, dus voldoende plaats en dat was maar goed ook want de busrit naar Caïro zou 9u duren.

We reden richting Taba tot in Nuweiba (waar de bomaanslag plaatsvond een paar weken geleden en nu was Nuweiba volledig uitgestorven, alle boekingen waren geannuleerd) en daar sloegen we linksaf naar Suez toe.

Het eerste stuk reden we terug door de Sinaï woestijn en elke keer weer was het landschap adembenemend.

Het stuk naar Suez toe was minder mooi want dit was één van de belangrijkste haven- en industriegebieden van Egypte. De drie steden van het Suezkanaal waren Suez zelf, Ismaelia en Port Saïd. In Ismaelia was een groot meer, wat evenals Alexandrië een vakantieoord was voor de Egyptische bevolking. Daar was ook een belastingvrije zone waar men van heinde en ver naar toe kwam om allerlei artikelen goedkoop aan te schaffen. In Ismaelia waren ook veel Aziatische bedrijven.

Om de Sinaï te verlaten moesten we door de Ahmed Hamdi tunnel rijden waar we totaal geen foto’s mochten maken.

We stopten onderweg in een 2-tal kleine cafetaria’s waar we wel konden eten voor 15 EP maar bijna niemand het aandurfde omdat het eten er heel belabberd uitzag.

We keken weer onze ogen uit toen we Caïro binnenreden want dit was nu toch wel een gore vieze stad stampvol mensen, auto’s en smog.

’s Avonds wilden we nog een keertje lekker eten en daarom gingen we samen met Mores en Mathilde naar Le Bistro, het Franse restaurant waar we ook aten in het begin van de reis.

Dag 24: zaterdag 27 november

Samen met Mores en Mathilde reden we met een taxi naar Sakkara, de grootste necropool van Egypte, 25km van Caïro.

Eerst reden we door kleine dorpjes met beschilderde huisjes waar mensen, ezels, buffels, schaapherders, karretjes met groenten enz te zien waren. Het was er niet veilig om uit te stappen maar we konden wel foto’s maken vanuit de taxi.

Sakkara bestond uit groepjes piramides en tombes die allemaal een eind uit elkaar lagen. Op het eerste gezicht zag het er allemaal een beetje vervallen uit temidden van de dorre woestijn maar we bezochten er wel prachtige tombes van leden van het hof en de adel. Alle tombes waren weer versierd met bas-reliëfs.

De grootste piramide was die van Djoser, de stichter van de 3e dynastie. Het grafmonument dateerde van omstreeks 2800 voor Chr en was ook bekend onder de naam trappenpiramide.

Daarna bezochten we de tombes van Unas (2400 v Chr) en Inefer die gesloten waren maar geopend werden door een bewaker.

De tombe van Mereruka dateerde van omstreeks 2300 voor Chr en werd pas in 1983 ontdekt. Dit was een heel grote mastaba met fantastische hiërogliefen en een zuilenzaal met een beeld in een nis.

De Titi piramide had smalle gangen naar beneden waar we echt gebukt moesten doorlopen en aan het eind stond een granieten sarcofaag met hele dikke wanden.

In de tombe van Kagemni waren fraai muurschilderingen van vee, boten, vissen, eenden, kortom erg mooi.

Om de tombe van Ti te bezoeken, moesten we een eind door het zand lopen. We konden ook op een kameel rijden maar dat wilden we niet. Mores en Mathilde lieten zich vervoeren in een ezelskarretje wat ons weer mooie foto’s opleverde van de eigenaar. Om de sarcofaag van Ti te zien, moesten we door een nauw gat naar binnen klauteren.

Het Serapeum, het ondergrondse graf van de heilige dieren, was gesloten voor het publiek en als laatste bezochten we de tombe van Ptahhotep.

In alle tombes waren bewakers (dit was trouwens op alle sites en tempels in Egypte) die je altijd alles wilden aanwijzen en daarvoor uiteraard ook “baksjiesj” wilden. Soms werd je echt gek van die mannen! Veel werd ook kapot gemaakt (ook overal in Egypte) door de toeristen zelf die iedereen voor alles en nog wat buitensporige baksjiesj in de handen drukten. In dit land willen ze voor alles een baksjiesj, voor het nemen van foto’s, ongevraagde uitleg die ze geven over iets, maar daar hoef je zeker niet aan mee te doen want dat jaagt alle fooien de hoogte in en zo willen ze telkens meer krijgen.

Op de terugweg stopte onze chauffeur op onze vraag in Sakkara restaurant om iets te drinken. Het was heel erg gezellig in de binnentuin onder de palmbomen.

Dag 25: zondag 28 november

Deze nacht moesten we om 1u uit bed want onze vlucht naar Frankfurt zou vertrekken om 4u20. Voor we vertrokken kregen we elk nog een scarabee van Marion en dat vonden we heel lief.

Wat ons een beetje tegenviel was dat de agent van Djoser ons al ingecheckt had met als resultaat dat de hele groep over het hele vliegtuig verspreid zat. Dat vonden we maar niks maar met een beetje wisselen konden dan toch een paar mensen bij elkaar zitten.

De vlucht verliep goed en in Frankfurt moesten we maar een uurtje wachten, dus dat viel best mee. Om 10u landden we in Schiphol en dat was het einde van onze Egypte reis.

Egypte was niet onze meest favoriete vakantiebestemming maar toch waren we blij dat we het gezien hadden.

Deze reis was een organisatie van Djoser.