Bolivia Peru reisverhaal

Reisverhalen en foto's van Freddy en Linda

Reisverhaal Bolivia - Peru

 

13 oktober - 11 november 2000

 

Dag 1 + 2: Vrijdag 13 en zaterdag 14 oktober

Onze vlucht Schiphol-Frankfurt met luchtvaartmaatschappij Lufthansa had een beetje vertraging, we stegen op om 20u10 en landden om 21u.

Om 21u25 moesten we al inchecken voor de vlucht naar Sao Paulo, Brazilië. Deze vlucht was overboekt en wie als vrijwilliger 6u wou wachten op de volgende vlucht kreeg 1200 Duitse Mark.

We stegen op om 22u10, duur van de vlucht: 11u20. We landden in Sao Paulo om 6u a.m. plaatselijke tijd (hier was het 4u vroeger dan in België). Met Varig vlogen we dan om 9u34 naar Santa Cruz in Bolivia, een vlucht van 2u35.

Toen we om 10u40 (uurwerk weer 2u terug, dus dat scheelt al 6u met thuis) landden, was er niemand om ons af te halen want we waren een uur te vroeg.

Uiteindelijk reden we met een busje naar het hotel, Hotel Excelsior.

Met de ganse groep hebben we een rondje gelopen door het stadje, eerst naar de supermarkt om water te halen en daarna gingen we iets drinken. Het was heel erg warm weer en een geweldige drukte op straat.

’s Avonds aten we met de hele groep in een Iers restaurant. Het maken van de rekening duurde eindeloos.

We gingen vroeg naar bed.

Dag 3: Zondag 15 oktober

Om 5 u uit bed en met de bus reden we naar de luchthaven voor een binnenlandse vlucht naar Cochabamba, vertrek om 7u30, duurtijd: 35 minuten.

In Cochabamba zaten we al op 2700 m, het was hier veel frisser en het regende een beetje.

In Gran Hotel Las Vegas hadden we een kamer op de 4e verdieping en er was geen lift.

Om 10u vertrokken we met de bus naar de markt van Cliza. Behalve wij waren er geen andere toeristen, de Bolivianen keken meer naar ons dan wij naar hen. Deze markt was enorm groot en er werd echt alles verkocht, zelfs valse paardenstaarten voor de Boliviaanse vrouwen.

De bevolking was hier nog in traditionele kledij, de vrouwen droegen felgekleurde rokken en waren getooid met het typische bolhoedje, de mannen droegen een poncho.

Daarna gingen we naar Tarata, een dorpje met huizen van adobe stenen. We bezochten ook een franciscanenklooster uit 1796 maar er was niet zoveel te zien. Buiten het klooster was een familie een feestje aan het bouwen omdat zij hun nieuwe auto gezegend hadden. Deze wagen was versierd en bestrooid met bloemblaadjes en er was volop drank.

In een klein dorpje, Colcapirhua genaamd, gingen we chicha proeven, een drank gemaakt van maïs, water en suiker.Men beweerde dat er geen alcohol in zat maar als we op de binnenkoer eens om ons heen keken naar de dronken Bolivianen, dan wisten we wel beter. We smaakten het trouwens ook.

In datzelfde dorp was ook een feest aan de gang ter ere van de H. Laurentius. Er was een massa volk op de been en er was een optocht van groepen in verschillende klederdrachten, er waren ook kraampjes met allerlei eten, het ene zag er lekker uit en het andere dan weer helemaal niet. We zagen veel dronken Bolivianen die al heel wat chicha gedronken hadden.

’s Avonds aten we kip, heel wat restaurants waren dicht omdat het zondag was. Om 20u30 kropen we in bed want ik voelde me niet helemaal goed, waarschijnlijk de hoogte.

 

Dag 4: Maandag 16 oktober

’s Morgens gingen we eerst naar de bank, voor 300$ kregen we 1885,5 Bolivianos, een wisselkoers dus van 6,285. (1 Bol was 7,6 Belgische frank) We vroegen kleine biljetten want dit was nodig omdat ze nergens wisselgeld hadden (zegden ze toch!) met als resultaat een heleboel geld.

Er was terug een hele drukte op straat, Bolivianen die van hier naar daar renden en blijkbaar geen minuut tijd hadden.

Op het Plaza 14de Septiembre echter zat iedereen rustig op een bankje, geen stress hier. Van op een bankje, konden we de bevolking rustig gadeslaan, dus daar bleven we een tijd zitten. We brachten ook een bezoek aan de kathedraal, daterend uit 1571, waar juist een dienst aan de gang was.

Om 12u verzamelden we voor een excursie. Eerst reden we naar de Cristo de la Concordia, een paar centimeter groter dan zijn collega uit Rio de Janeiro (ginder 33m hoog naar het aantal jaren dat Jezus geleefd heeft). Hier telden de extra cm voor het aantal maanden dat Jezus nog langer leefde. Men kon ook vanaf de stad te voet naar boven, 1350 treden, dat zagen we zo niet zitten.

Vervolgens reden we naar een pelgrimsdorp, Quillacollo genaamd. Hier stond de Virgen de Urcupiña die heel belangrijk was voor de Bolivianen. Op straat zat een vrouwtje met cocabladeren onder glas, een flesje en een belletje. Wij dachten dat ze cocabladeren verkocht maar later bleek dat ze de toekomst voorspelde.

Daarna gingen we richting Payrumani voor een bezoek aan Villa Albina, het huis van de tinbaron Simón Patiño. Hij werd geboren in 1860 in Cochabamba en hij slaagde erin om de rijkste man van Zuid-Amerika te worden door duizenden indianen in zijn mijnen te laten kreperen. Deze villa werd nog steeds gebruikt door de regering voor vergaderingen bijgevolg was het huis en de tuin goed onderhouden.

We bezochten ook nog het Centro Pedagogico y cultural Simón I. Patiño. Inkom 10 Bs. Het huis werd gebouwd tussen 1915 en 1927 maar de tinbaron heeft er nooit gewoond. Dit huis was binnenin wel een stuk indrukwekkender dan Villa Albina.

’s Avonds had niemand zin om met de groep te gaan eten omdat het altijd zo eindeloos lang duurde. In restaurant Crystal aten wij bife met ei, frieten, rijst en salade voor 12 Bs p.p., voor een biertje (Taquiña) betaalden we 8 Bs.

Dag 5: Dinsdag 17 oktober

Hier in het hotel hadden ze de mentaliteit: “Ik wakker, iedereen wakker” want rond 5 u ’s morgens was er terug een hels lawaai. We bleven echter toch nog in bed liggen tot 6u30. Om 8u reden we met de bus naar de luchthaven voor een binnenlandse vlucht naar Sucre, luchthaventaks 10 Bs. p.p. We stegen op om 10u voor een vlucht van 30 minuten.

De transportband in de aankomsthal was een bandje van een paar meter lang, heel primitief.

De rit naar Hostal Sucre verliep met de plaatselijke bus, allemaal opeengepakt met alle bagage, een belevenis. De bus stopte niet voor het hotel en dus moesten we met onze bagage nog twee blokken lopen.

Hostal Sucre was een mooi koloniaal hotel met patio met bogen en bloemen en mooie kamers.

Sucre was een hele drukke universiteitsstad met veel cafés en restaurants. De stad lag in een brede vallei op een hoogte van 2800 meter. Er waren heel wat witte koloniale gebouwen en deze gaven de stad een aantrekkelijk uiterlijk. Reclame op de gebouwen was verboden. Volgens Tineke, onze reisbegeleidster, was alles hier een stuk duurder dan in Santa Cruz en Cochabamba.

Na een lichte lunch liepen we naar de begraafplaats. Deze was heel indrukwekkend met echte laantjes met veel bomen en schaduw. De begraafplaats was heel uitgestrekt en we zagen grote mausoleums voor ganse families. Aan de ingang stonden kinderen om ons te gidsen maar daar hadden we niet zoveel zin in.

In de namiddag slenterden we rond op Plaza 25de Mayo en de markt aan Ravelo. We kochten postkaarten en postzegels (wel duur, 6 Bs per postkaart).

Dag 6: Woensdag 18 oktober

8u: verzamelen voor een excursie. Na een korte rit met de bus stopten we aan het kapelletje van de Virgen de la Chataquila op 3700 m waarin we even een kijkje namen en dan volgde een voettocht door de bergen. We liepen 2 en een half uur over geitepaadjes. Soms was het goed uitkijken voor losse stenen maar het uitzicht was werkelijk geweldig, we hadden een vergezicht over verschillende bergtoppen. Vaak liepen we echt over het randje, dus niet naar beneden kijken en voorzichtig doorstappen.

De Boliviaanse gids toonde ons verschillende bloemen o.a. de bromelia die afstierf nadat deze uitgebloeid was.

Toen we terug aan de bus kwamen in Cancha Cancha waren we een dikke 500 meter gedaald.

Nadien hadden we lunch aan een rivier: boterhammen met kaas en ham, cola, sinaasappel, yoghurt, popcorn, chocolaatjes, ananas en nootjes. Een dik moedervarken met haar jongen kwam ons gezelschap houden.

Er kwam ook een klein meisje met een grote tas in de hand waarin iedereen alles gooide wat niet opgegeten werd. Op het einde was de tas boordevol en was het meisje de koning te rijk.

Na de lunch bezochten we een schooltje, alle kinderen zaten samen in één klasje maar wel in groepjes naargelang de leeftijd. De kinderen spraken Quechua, een indianentaal, maar ze leerden wel Spaans op school. Velen van onze groep hadden geschenkjes mee zoals balpennen en ballonnen. In de buurt van het schooltje was een klein huisje waar een vrouwtje aan het weven was.

Op de terugweg zagen we een klein kerkhofje waar de arme boeren en bergbewoners begraven werden. De graven waren heel klein met alleen een kruis op, dat kruis was dan wel versierd met linten en bloemen, een heel verschil met het kerkhof in Sucre. Tussen en op de graven liepen ezels en geiten. Naast het kerkhof stond een gebouwtje en hierin stonden een paar schedels, dit bleek een heilige plaats te zijn.

En weer lagen we redelijk vroeg in bed.

 

Dag 7: Donderdag 19 oktober

Nadat we vrij laat uit bed kwamen, bezochten we de stad Sucre. Rechtover het postkantoor was het universiteitsgebouw. In de Trotter stond het beschreven als één van de mooiste gebouwen van Zuid-Amerika maar wij vonden het niet zo spectaculair.

Er waren wel heel wat mooie witte koloniale gebouwen en pleinen met enorme palmbomen, Teatro Gran Mariscal de Ayucucho, Corte Suprema de Justicia de la Nación, prachtige gebouwen allemaal.

In het rustige Parque Bolivar gingen we op een bankje zitten, heel wat studenten waren hier aan het studeren.

In de namiddag lazen we in de patio van het hotel een boek en nadien gingen we naar de bank om extra geld te wisselen want in Uyuni kon het niet meer. We zaten daarna nog een ganse tijd op een bankje op Plaza 25de Mayo. Een rustig dagje maar dat mocht ook wel een keer.

Dag 8: Vrijdag 20 oktober

Om 7u vertrokken we met de luxebus naar Potosí, de bagage ging op het dak en we hadden voorbehouden plaatsen met veel beenruimte. Toen we rond 10u in Potosí aankwamen moest de chauffeur een paar keer achteruitrijden omdat de bevolking een paar blokkades had opgericht met gasflessen. Maar met een paar keer omrijden, geraakten we toch tot aan hotel Jeruzalem.

Het was hier veel kouder maar we zaten dan ook op 4070 meter en daarmee was Potosí de hoogst gelegen stad ter wereld.

Toen we rond de middag op het Plaza 10 de Noviembre kwamen, was alles dicht, ook de kathedraal en de San Franciscokerk. We gingen dan in de zon op een bankje zitten, voortdurend deden we hier onze trui aan en uit want in de zon was het heel warm. Kroop de zon achter de wolken dan was het weer heel koud. Ook al deden we hier totaal niets, we hapten toch altijd naar adem door de grote hoogte.

In de namiddag bezochten we de Casa de la Moneda. Hier werden vroeger de nationale munten geslagen op antieke matrijzen. Het gebouw deed toen ook dienst als gevangenis. Nu was het een museum en het werd een uniek bezoek: de eerste locomotief die in Bolivia gebruikt werd, een uitgebreide collectie schilderijen, een religieuze kunstgalerij met een altaar vol bladgoud van de Iglesia de San Francisco, een uitgebreide collectie mineralen en zilveren voorwerpen die gemaakt werden met het zilver uit de Cerro Rico.

Het geleide bezoek duurde een dikke twee uur, op het einde gaf de gids een korte schets van het huidige Potosí. Het was één van de armste departementen van Bolivia, de mijnen waren de belangrijkste bron van inkomsten van de bevolking en er was geen andere industrie. Maar eens de mijn zou uitgeput zijn, zouden vele families in grote problemen komen. Sommigen, zoals onze gids, haalden hun inkomsten uit het toerisme. Maar Potosí was daarop niet ingesteld, er waren weinig hotels en restaurants en als er dan al een restaurant was, dan gaven ze alleen maar kip.

De toeristen die hier kwamen, waren meestal jongeren of budgettoeristen. De ouderen of de toeristen die meer op luxe gesteld waren (en dus ook meer geld uitgaven), bleven weg uit Potosí.

’s Avonds belandden we pas in bed rond 23u, de eerste keer van deze reis dat het zo laat werd.

Dag 9: Zaterdag 21 oktober

We hadden een excursie naar de mijnen met een ex-mijnwerker, Jorge genaamd, als gids. Eerst reden we naar de mijnwerkersmarkt, iedereen gaf 10 Bs en daarvan werden dingen zoals cocabladeren, dynamiet, alcohol e.d. gekocht voor de mijnwerkers.

Dan moesten we elk een helm, een jas en laarzen aan en zo ging het naar de Cerro Rico. Helemaal boven, op 4400 meter, hadden we een prachtig uitzicht over de stad. We kregen een demonstratie met het ontploffen van een dynamietstaaf, toen kregen we een carbidelampje en dan begon onze tocht in de mijn, donkere nauwe gangen, soms bukken en uitkijken voor diepe putten.

Halverwege zagen we El Tío, dit was een beeld dat de duivel voorstelde en aan wie de mijnwerkers cocablaadjes, alcohol en sigaretten schonken. De plaatselijke vrouwen mochten de mijnen niet in want dat bracht ongeluk, voor toeristen werd een uitzondering gemaakt. Op het einde van de gang was een mijnwerkersmuseum met oude foto’s en documenten. De gemiddelde levensverwachting van de mijnwerkers was 45 jaar. Liefhebbers konden toen nog verder gaan, Freddy ging mee maar ik zag het niet meer zitten, ik vond het heel benauwd in die mijn.

Na het bezoek lunchten we bij Jorge thuis. De lunch bestond uit soep, lamavlees, frieten, groenten en aardappelen. Er was ook nog taart want iemand van onze groep was jarig.

Na de lunch reden we naar de warmwaterbronnen van Tarapaya op 3800 meter. Het meer dat wel 20 meter diep was en gelegen tussen de bergen, had een geneeskrachtige werking. Een paar mensen van de groep hebben hier gezwommen.

 

Dag 10: Zondag 22 oktober

Met de kippenbus reden we naar Betanzos, 50 km van Potosí. De bus viel erg mee, veel beenruimte en gemakkelijke zetels. De markt zelf was niet zo veel apart, we kochten er handschoenen en een muts voor de tocht naar Uyuni. Verder was er ook nog een fruit- en groentenmarkt, brood en andere levensmiddelen. Niet echt interessant aangezien we de markt van Cliza al gezien hadden.

De terugreis naar Potosí gebeurde ook met de kippenbus, dit was wel een hele belevenis, totaal anders dan de heenreis. Het gangpad lag vol balen met aardappelen en ajuin waar we overheen moesten klauteren. De Bolivianen in de bus stonden zelfs hun zitplaats af voor ons.

Na de middag bezochten we met de hele groep het klooster en museum van Santa Teresa. Het klooster werd gesticht in 1685 en alleen de tweede dochter van Spaanse edellieden kon intreden in het klooster. Zij traden in op hun vijftiende jaar en kwamen er nooit meer uit. Ze hadden geen enkel contact met de buitenwereld. Ook het contact met de ouders gebeurde achter een scherm zodat ze elkaar niet konden zien of aanraken.

In de kapel was oneindig veel bladgoud maar hier kwamen de nonnen nooit, zij konden de mis bijwonen achter een gordijn. Zij hadden een leven in armoede en mochten al die rijkdom niet zien. Tijdens ons bezoek aan het klooster begon het te donderen en bliksemen en ontzettend hard te regenen. Er vielen enorme hagelstenen uit de lucht.

Om 19u aten we met de groep in El Fogón, een nieuw restaurant dat pas een maand open was. Het had een heel mooi interieur met blauw en bruin en we kregen heel lekker eten. Een Café Fogón achteraf, gemaakt met amaretto, baileys en koffie.

’s Avonds in het hotel moesten we nog de bagage opsplitsen want voor de driedaagse excursie op de zoutvlakten hoefden we niet zoveel mee te nemen.

Dag 11: Maandag 23 oktober

We stonden vroeg op voor een laatste douche want de eerstkomende drie dagen zouden we op de zoutvlakten zijn en daar zou geen gelegenheid zijn om te douchen.

Om 9u30 vertrok onze privé-bus voor een rit van ongeveer 6u. Het werd een prachtige rit door de bergen en de woestijn, onderweg zagen we mooie cactussen.

’s Middags stopten we in een klein dorpje voor een korte pauze en om 16u15 kwamen we aan in Uyuni. Dit was een apocalyptisch woestijndorp, stoffig en verlaten met een deprimerende sfeer. Hier stonden de jeeps op ons te wachten om ons naar het zouthotel te brengen. Een rit van 45 minuten en op het eind daarvan reden we over een immens grote witte vlakte. Echt schitterend. Zo was ook het hotel, het was gebouwd uit zoutblokken, evenals een deel van de meubelen.

Het avondeten bestond uit soep, vlees, frieten, tomaten en uien. We kregen ook warme wijn die men het best kon vergelijken met glühwein. Nadien dronken we koffie of thee met singani, een gedistilleerde drank van 40 graden op basis van blauwe druiven.

Dag 12: Dinsdag 24 oktober

Deze nacht was het helemaal niet koud, we hadden zelfs onze slaapzak niet gebruikt, enkel onze lakenzak. Om 5u stonden we op, om 5u30 ontbijt en om 6u reden we weg met de jeeps. We zaten met 6 personen in een jeep, wij samen met Laura, Amy, Marijke en Sharon. De eerste 45 minuten reden we over de immense zoutvlakte die een oppervlakte beslaat van 10.600 vierkante kilometer, daarna kwamen we tussen de bergen en woestijn. Het landschap was echt schitterend met vele verschillende kleuren en ontelbare cactussen.

We zagen ook wilde vicuñas (lama-achtigen). Er waren vele lagunas, dit waren gekleurde mineraalmeren, allemaal met een eigen naam zoals Laguna Cañapa, Laguna Hedionda, Laguna Char Khota, Laguna Honda, Laguna Margarita. Aan elke laguna zagen we flamingo’s, hier waren er maar liefst drie soorten.

We pauzeerden in een klein dorpje San Juan en in een winkeltje kochten we singani voor 25 Bs. We deelden balpennen uit aan de kinderen.

In Chiguani reden we het nationale Park binnen, de ingangprijs bedroeg 30 Bs.

Bij een hoop rotsen zaten viscachas, een soort konijn met de staart van een eekhoorn. Wat verder stond de Arból de Pierna, een boom uit steen.

Aan de Laguna Colorada (midden op de dag reageerden de microscopische algen op het licht en daardoor leek het water bloedrood) hebben we overnacht in een eenvoudig alojamiento. We sliepen in een slaapzaal van 13 personen, er waren propere toiletten met stromend water en propere wasbakken (wel koud water). We zaten hier op een hoogte van 4278 meter en de windsnelheid bedroeg 75 km/u. Dat merkten we toen we gingen wandelen naar de laguna, met de wind in de rug ging het nog maar met de ijzige wind in het aangezicht was het niet te doen.

Het avondeten was niet veel apart. Nadien hebben we onze fles singani maar aangesproken.

 

Dag 13: Woensdag 25 oktober

Deze morgen moesten we om 5u vertrekken, dus iedereen om 4u30 uit bed, niemand had echt goed geslapen. Het had goed gevroren deze nacht.

Eerst reden we naar de geisers Sol de Mañana genaamd (ochtendzon). De Laguna Chaipiri was altijd bevroren door de hoge ligging en de koude. Bij de warmwaterbronnen aten we brood met roerei als ontbijt. Het vroor nog altijd goed maar een paar mensen van een andere groep gingen toch in het warme water liggen.

Laguna Blanca lag op 5160 meter hoogte, op Boliviaans en Chileens grondgebied. Aan Laguna Verde (op 4500 meter) met de vulkaan Licancábur op de achtergrond bereikten we het eindpunt van onze tocht. Hier lag ook de grens met Chili. Toen we er aankwamen, was het windstil en had de laguna een gewone kleur maar na een tijdje kwam er een windje op en zagen we het water groen kleuren. Dit kwam door het kopersulfaat in het water, het was wel een spectaculair zicht.

Op de terugweg stopten we voor de lunch op 4400 meter: lamavlees, rijst, tomaten, komkommer, brood en ananas.

Een eind verder, kwamen we bij de dansende rotsen. We vonden het gewoon een hoop stenen waar we verder weinig in zagen maar misschien met heel veel fantasie….

We overnachtten in Urkupiña in Alojamiento Casjo Minte in een kamer van 6 personen. Samen met Amy, Laura, Marijke en Sharon hebben we daar nog veel plezier gehad. In een klein winkeltje in de straat haalden we een paar flessen bier. Om 21u lagen we al in bed want iedereen was erg vermoeid.

Dag 14: Donderdag 26 oktober

Iedereen heeft deze nacht geslapen als een blok. Om 8u hadden we ontbijt met koffie of thee en oud brood met boter en jam. Om 8u45 reden we weg, we kwamen eerst door een wat groener landschap dan we tot nu toe gezien hadden. We voelden goed aan de huid en de lippen dat we hier op grote hoogte zaten met veel kans op uitdroging. Van de organisatie kregen we ieder een fles water van 2 liter voor 3 dagen, hetgeen heel weinig was aangezien we bijna nergens water konden kopen.

Onderweg zagen we weer ontelbare lama’s. In de dorpjes San Aqustin en Julaka konden we even rondwandelen.

Het was hier alle dagen goed warm weer, ook ’s nachts vonden we het niet zo koud.

De lunch (oud brood, zo hard als een kei, koude aardappelen, erwten en wortelen, ei, koud vlees, tomaten en perziken) gebruikten we op Isla de Pescadores, het hele eiland stond vol cactussen tot zelfs 10 meter hoog. We kregen terug geen drinken bij het eten, gelukkig was er een klein winkeltje en daar kochten we bier. Na het eten had je de kans om een eind te lopen over de zoutvlakte maar daar hadden we geen zin in.

Na een korte stop in het zouthotel gingen we de zoutogen bekijken. Onder een deel van de zoutvlakte stroomde een rivier en op sommige plaatsen kwam deze aan de oppervlakte, zo ontstonden gaten in de laag zout. Door de mineralen in het water begon dit te borrelen en dit ijskoude water bleek goed te zijn voor reuma.

Wat verder zagen we de mensen die op de zoutvlakte aan het werk waren. Zij hakten en graafden om briketten zout naar boven te halen. Hun uitrusting bestond uit een donkere bril tegen de onverdraaglijke lichtweerkaatsing en een bivakmuts op hun hoofd en dat allemaal voor minder dan 150 Belgische frank per dag. Zij wilden onder geen beding gefotografeerd of gefilmd worden.

In Colchani bezochten we een familie die zout verwerkte. Zij waren enorm arm en heel blij met wat oude kleren en balpennen. In dit dorp overhandigden we de fooi aan de 3 chauffeurs en de kokkin voor hun diensten de voorbije drie dagen. Aan hun reactie te zien, was het een heel goede fooi.

Om 16u30 waren we terug in Uyuni waar we een kamer namen in een hotel tot de nachttrein naar Oruro vertrok om 1u30. De trein was ruim en proper met gemakkelijke zetels, ook de toiletten waren proper en er was zelfs toiletpapier, wat een luxe!

Dag 15: Vrijdag 27 oktober

’s Morgens rond 8u30 waren we in Oruro waar een privé-bus ons opwachtte om ons naar La Paz te brengen, een rit van 3 uur. Toen we La Paz binnenreden, zagen we de met sneeuw bedekte toppen van de omringende bergen.

La Paz was de hoogst gelegen hoofdstad ter wereld. Het lag in een gigantische vallei aan de rand van de altiplano en was in terrassen opgebouwd tussen 3000 en 4000 meter hoogte. Van bovan af gezien was het een enorme metropool waar meer dan een miljoen mensen woonden.

La Paz leek een drukke, lawaaierige stad. Ons hotel Sagárnaga had mooie kamers met uitzicht op de besneeuwde bergen en de stad. In de omgeving van het hotel waren een enorm aantal winkels, de ene na de andere, met allemaal leuke dingen zoals poncho’s, truien van alpaca wol, tassen, panfluiten, mutsen, sjaals, handschoenen en nog vele andere souvenirs.

 

Dag 16: Zaterdag 28 oktober

La Paz was een echte hoofdstad, ze verkochten hier echt alles op straat en er stonden ontelbare kraampjes met de meest onnozele dingen. Het centrum was modern met winkelcentra en wolkenkrabbers. Rond het centrum lagen verschillende woonwijken waar voornamelijk de indiaanse bevolking woonde.

Het was ook waanzinnig druk, iedereen liep kris kras door elkaar. Daarom was het even opletten voor de spullen want La Paz had een slechte reputatie. Om iemand te bestelen sneden ze met een mes zelfs de rugzak of broekzak open.

Een kort bezoekje aan de San Franciscokerk, een opvallende barokgevel en binnen veel bladgoud. Aan de Plaza Murillo zagen we veel duiven en rondom stonden mooie gebouwen zoals het Palacio de Gobierno en de kathedraal. In de kathedraal waren er bruiloften aan de gang, de ene na de andere, de bloemblaadjes die uitgestrooid werden telkens het paar naar buiten kwam, werden achteraf opgeraapt en gebruikt bij het volgende paar.

De heksenmarkt was ook een bezoekje waard, hier verkochten ze allerlei kruiden, magische stenen en geheimzinnige dranken, ook talismannen die geluk zouden brengen. Het meest opmerkelijke waren de lamafoetussen, deze brachten geluk indien ze begraven werden onder de fundamenten van het nieuw te bouwen huis.

Dag 17: Zondag 29 oktober

Tijdens het ontbijt hoorden we dat 2 mensen van onze groep de avond ervoor overvallen waren, 2 of 3 personen hadden hen langs achter bij de keel gegrepen en zo waren ze buiten bewustzijn geraakt en gevallen. Dank zij enkele mensen die het gezien hadden, waren ze niet beroofd. Iedereen was een beetje onder de indruk van het verhaal, het bleek dat het zelfs met twee personen niet veilig was om ’s avonds over straat te lopen.

We reden met de bus naar Tiahuanacu (ook Tiwanaku geschreven), een ruïnecomplex op 70 km van La Paz. Het was de belangrijkste archeologische site van Bolivia. Eerst bezochten we het museum en dan de ruines samen met een Engelstalige gids. Deze gaf een heel uitgebreide uitleg zodat we na een tijdje alleen doorliepen. We zagen verschillende platte stenen die over de site verspreid lagen, de overblijfselen van een ritueel platform dat gebruikt werd voor ceremonies, de beroemde Poort van de Zon met de afbeelding van de zonnegod die vereerd werd door gevleugelde en knielende figuren en een tempel die gedeeltelijk ondergronds was en waarvan in de muren afbeeldingen van gezichten verwerkt waren. Deze bestonden uit vulkanisch gesteente. Er stond een beeld dat de armen voor de borst gevouwen had, dit was een houding die veel voorkwam in de Polynesische kunst.

’s Avonds besloten we om in het hotel te eten, tussen 20 en 22u was er een peña, een plaatselijk groepje kwam zingen en musiceren. Op die manier moesten we niet door de donkere straten lopen en dit bleek een goede keuze want later op de avond hoorden we dat er niet ver van ons hotel weer iemand overvallen was. De overvallen gebeurden over het algemeen door Peruaanse bendes.

Dag 18: Maandag 30 oktober

We reden naar Copacabana, gelegen aan het Titicacameer, een rit van drie en een half uur. Het Titicacameer was het hoogst gelegen bevaarbare meer ter wereld, 8000 vierkante meter groot en 175 km lang. Het vormde de natuurlijke grens tussen Bolivia en Peru.

Het meer met op de achtergrond de besneeuwde bergtoppen was een geweldig zicht. Eerst moesten we de bus uit, de bus werd op een vlonder gezet, wij stapten in een motorbootje en zo ging alles en iedereen naar de overkant.Daar was een paspoortcontrole door de marine. Na nog drie kwartier in de bus zagen we vanuit de hoogte Copacabana liggen.

Hotel Ambassador, midden in het centrum gelegen, was een hotel met een rustig binnenplein en grote kamers (3 bedden!). Na La Paz deed de badkamer wat armtierig aan maar we hadden al slechter gehad.

Copacabana was een aangenaam vakantieoord maar ook een pelgrimsoord. Met ons groepje van zes liepen we het stadje in op verkenning. Het eten van een sandwich kostte ons anderhalf uur tijd! In een winkeltje kochten we een slof Marlboro voor 45 Bs (342 Belgische frank). Aan de oever van het meer zaten we een hele tijd lekker lui in de zon.

 

Dag 19: Dinsdag 31 oktober

De rest van de groep ging naar Isla del Sol en Isla de la Luna maar aangezien er op deze eilanden niet zo veel te zien was, gaven we er de voorkeur aan om een dagje rust te nemen en gewoon wat door het stadje te dwalen.

Eerst bezochten we de kathedraal waarvan de buitenkant voor een deel bedekt was met azulejos. De Christusfiguur was nogal bloederig voorgesteld, het beeld was gemaakt door de indianen en op deze manier wilden ze hun eigen lijden symboliseren. Er stond een apart kapelletje voor de Virgen de Candelaria. Het Mariabeeld veranderde iedere 2 maanden van kleur, dan eens zwart, dan wit en dan weer roze. Er waren elke dag autozegeningen maar daar merkten we niets van.

’s Middags aten we weer een sandwich. Het was leuk om te zien hoe ze allerlei dingen te kort kwamen en dan vlug naar een winkel (of bij de buren) liepen om het te halen. Op die manier duurde het altijd heel lang maar daar kregen ze absoluut geen stress van.

Na de middag beklommen we de calvarieberg (Cerro Calvario). Dit was een heuvel bij het meer en het pad liep langs de verschillende staties die de kruisweg van Christus voorstelden, het was best een aardige klim. Boven werden ceremonies gehouden die half Andes, half christelijk zijn. Van boven had je een prachtig uitzicht op Copacabana en het Titicacameer.

Dag 20: Woensdag 1 november

Om 9u zou de bus komen om ons naar Peru te brengen maar het werd uiteindelijk 10u15. Hier was dat echter heel normaal.

Eerst was het een kwartiertje rijden naar de grens, daar moesten we het groene briefje inleveren en zo kregen we een stempel in het paspoort. Dan gingen we te voet de grens over, moesten we terug een briefje invullen aan de Peruaanse kant en weer kregen we een stempel. Naast de deur van de grenspost zat een vrouwtje met alpaca truien en zodoende kocht ik nog een trui. De klok kon nu 1 uur terug gezet worden.

Om 12u15 kwamen we aan in hotel Ferrocarril in Puno. Puno leek een heel drukke stad met vuile straten.

In de namiddag hadden we een excursie naar Sillustani, 37 km van Puno, het was een kleine site gelegen op een schiereiland in Lago Umayo. De graftorens (chullpas) dateerden uit de Inca en de pré-Incatijd. Sommige graftorens waren meer dan 12 meter hoog.

Bij de hoogste chullpa was er een opening onder in de toren, hierlangs werden geschenken gegeven aan de dode.

’s Avonds in het hotel was het terug reorganisatie van de bagage voor de tweedaagse excursie naar de rieteilanden. Aangezien Puno de stad was waar het meest kip werd gegeten van gans Peru hebben we dat dan ook maar gedaan.

Dag 21: Donderdag 2 november

Eerst reden we met de bus naar de haven en daar stapten we op een grote boot die ons naar de Uros eilanden bracht. Het eerste eiland dat we bezochten was Tatatorani. Deze eilanden waren gemaakt van riet en zaten vast met eucalyptuspalen, we liepen echt op een bed van riet. De indianen vlechtten huizen en boten van riet. Alles was vrij toeristisch, er was een hele handel van artisanaat. Met een totoraboot (boot gemaakt van riet) vaarden we naar het tweede eiland n.l. Santa Maria. Daar gaven we wat kleren, balpennen en ballonnen aan de verantwoordelijke van het eiland en die zou het dan verdelen onder zijn mensen.

Daarna vaarden we naar het eiland Amantaní waar we gingen overnachten bij een gastfamilie. We hadden kleine kamertjes en het toilet was gewoon een houten hok waarin een gat in de grond was. Als lunch kregen we soep, vis, rijst, aardappelen en thee.

De sportievelingen beklommen de berg Pachatata, wij gingen een uurtje wandelen over het eiland. Overal stonden kleine adobehuisjes en er waren kleine wegeltjes tussen de huizen en velden door, nergens zagen we honden. De mensen waren hier heel arm, ze hadden niets maar waren op hun manier waarschijnlijk toch gelukkig. Ze werkten op het veld en voorzagen in hun eigen levensonderhoud.

We kregen pas vrij laat het avondeten en het viel behoorlijk tegen, soep en dan een soort couscous met blokjes kool. Bijna niemand van de groep at het op. Na het eten gaf een

muziekgroepje een kleine voorstelling maar achteraf waren ze heel opdringerig, we moesten en zouden een fooi geven en liefst zoveel mogelijk.

 

Dag 22: Vrijdag 3 november

Het ontbijt bestond uit rijst met ei en thee, stel je voor! Er was geen koffie of jam. Voor de drie maaltijden bij deze familie betaalden we 15 Soles per persoon, wel redelijk duur betaald voor hetgeen we maar kregen, vonden we achteraf (1 sol was 13,6 Belgische frank).

We vaarden ongeveer een uur en stapten aan wal op het eiland Taquile. Hier leefden de mensen nog op de traditionele manier, het was verboden om niets te doen, zij moesten altijd met iets bezig zijn, dus ook de mannen breiden mutsen en kledingstukken.

Aan hun kleding konden we ook zien of ze getrouwd waren of nog vrijgezel. Wanneer iemand trouwde met een persoon die niet afkomstig was van het eiland, dan moest die het eiland verlaten. Op die manier werd er wel inteelt gecreëerd.

We gingen aan de ene kant van het eiland aan land, maakten een wandeling, zagen de cantuti bloem (dit was de nationale bloem van Peru), kwamen op de Plaza en zagen honderden toeristen. Dit was wel een heel verschil met het eiland Amantaní waar we geen andere toeristen gezien hadden.

We gebruikten de lunch in een plaatselijk restaurant en dan volgde een flinke afdaling naar het strand aan de andere kant van het eiland waar onze boot op ons lag te wachten. Na drie uur varen, waren we terug in Puno waar juist festiviteiten aan de gang waren, er waren optochten met diverse groepen in klederdracht.

In het hotel namen we een uitgebreide douche en ons avondeten bestond uit Lomito a la Pimienta met een Pisco Sour vooraf. (Pisco was een gedistilleerde drank van de Piscodruiven uit de Eiqui-vallei, Pisco Sour bestond uit pisco, citroen, eiwit en suiker)

Dag 23: Zaterdag 4 november

Vroeg uit de veren, met de gewone bus reden we naar de busterminal en daar stapten we over op een grote bus met bestemming Cuzco, een rit van ongeveer 7u. Er was een toilet op de bus, we kregen een broodje en rond de middag gingen we een pas over op 4400 meter. Daar werd even gestopt want er waren verschillende kraampjes met souvenirs.

We kwamen in Cuzco aan rond 16u, we hadden een ander hotel dan voorzien n.l. hotel Marani dat uitgebaat werd door Nederlanders. Het was gelegen in de wijk San Blas, een oude volkswijk met heel smalle straatjes, huizen met blauwe deuren, luiken en balkons.

Eerst brachten we de was naar een wasserij en dan liepen we naar Plaza de Armas, een mooi plein met prachtige gebouwen en zuilengalerijen rondom.

Dag 24: Zondag 5 november

Gans de nacht was ik ziek met erge maagkrampen, overgeven en diarree. Ik voelde me zo slap als een vod dus bleef ik maar in bed liggen. Freddy voelde niets dus het eten van de avond voordien kon niet de oorzaak zijn want we hadden allebei hetzelfde gegeten. Er waren nog leden van de groep ziek en zo dachten we aan het eten op het Amantaní-eiland.

In de namiddag namen we een douche en liepen rustig naar Plaza de Armas waar we soep en een sandwich aten. Bij terugkomst in het hotel was ik pompaf van deze inspanning en dus kroop ik maar weer in bed want de volgende dag wilde ik beter zijn, anders zou ik Macchu Picchu missen.

 

Dag 25: Maandag 6 november

Deze morgen reden we om 6u30 met de taxi naar het station en daar namen we de trein naar Aguas Calientes.

Eerst reden we een eind vooruit, dan weer een eind achteruit en zo steeds zigzaggen om de berg over te komen. Kostte veel tijd, maar tijd hadden ze genoeg.

We reden vier en een half uur, al schuddend en bevend door het voortdurend schokken van de trein. Het landschap veranderde van kaal naar groen en tenslotte subtropisch. Onderweg zagen we al enkele Incaruïnes. In Ollantaytambo stapten diverse sportievelingen uit voor de vierdaagse Inca-trail, een heel eind verder kon men ook uitstappen voor een tweedaagse trail.

Wij bleven zitten en rond 11u reed de trein Aguas Calientes binnen. Hier hadden we ook een ander hotel dan gepland n.l. hotel La Cabaña. Aguas Calientes was een heel gezellig dorpje, heel apart maar wel heel toeristisch. De spoorlijn was de hoofdweg en overal waren kraampjes met souvenirs. Het dorpje deed een beetje denken aan Kathmandu in Nepal. Het afdingen voor de souvenirs was weer heel leuk.

Rond 17u begon het heel hard te regenen. Er zwermden hier een heleboel vliegen rond doordat we hier lager zaten (2000 meter) en het zo subtropisch was.

Dag 26: Dinsdag 7 november

We hebben de hele nacht niet geslapen, Freddy had erge diarree en die was tegen de morgen nog niet beter dus konden we niet mee met de vroege bus naar Macchu Picchu. In de late voormiddag gingen we dan toch naar boven, 9 $ p.p. voor de bus en 10 $ p.p. ingangsprijs voor de site.

Het was een heel toeristische bedoening, massatoerisme eigenlijk. Op de bus naar boven speelde een muzikant, op het einde van de rit was er CD en cassetteverkoop en hield hij de hand omhoog voor een fooi.

Ginder aangekomen zagen we grote groepen toeristen en plaatselijke gidsen. De omgeving, de hoge bergen met het vele groen en de diepe dalen waren mooier dan de site zelf. Rond een groot plein waren verschillende gebouwen gegroepeerd. Er was ook een zonnetempel waar de stand van de zon werd gemeten om de jaargetijden te kunnen vaststellen. De dikke muren waren gebouwd met op elkaar gestapelde stenen zonder dat cement gebruikt werd. Rondom de stad waren talrijke terrassen die waarschijnlijk gebruikt werden voor de landbouw.

Aan de bar kochten we 2 kleine cola’s voor 10 soles. Voor een t-shirt vroegen ze 20 $! Er was ook een restaurant met buffetvorm voor 17 $. Alles was hier heel duur.

We gingen terug naar beneden met de bus, er liep een jongen mee die ondertussen allerlei wilde kreten uitkraaide en op het einde van de rit terug de hand omhoog hield voor een fooi! Het was hier echt overdreven, opa en oma die even naar de Inca ruïne kwamen kijken en hup, weer naar beneden. Er was ook een hemelsbreed verschil met Bolivia, daar probeerden ze de toeristen niet zo uit te zuigen, hier was het echt heel erg. Telkens we ergens gingen eten, kwam er een bandje spelen en elke keer moesten we afdokken.

De trein naar Cuzco vertrok om 16u40 en vanuit de trein zagen we terug de subtropische begroeiing en in de verte besneeuwde bergtoppen. Op het einde van de rit werd het terug zigzaggen om Cuzco te bereiken. Zodoende was het al na negenen toen we in het hotel kwamen.

Dag 27: Woensdag 8 november

Lekker uitslapen en een dagje niksen. We gingen de stad in en aten een omelet, telefoneerden naar huis en slenterden wat rond, iedereen wilde hier van alles en nog wat verkopen, zeker een 30-tal personen vroegen ons om prentbriefkaarten te kopen, we zagen schoenpoetsers, vrouwtjes met kalebassen, truien en nog zoveel meer. Er waren zelfs vrouwtjes met lama’s op pad, om te fotograferen, tegen betaling uiteraard. Cuzco was een gezellige stad maar overdreven toeristisch.

Dag 28: Donderdag 9 november

We maakten een uitstapje naar Chinchero, eerst te voet naar de busterminal en dan een mooie rit met de bus door valleien met omringende bergen. We stapten een halte vroeger uit en liepen door dit authentieke dorp. We beklommen een paar trappen naar het kerkje en het plein waar het markt was. Het was hier zo rustig, we waren de enige toeristen en iedereen was heel relax. We mochten naar hartelust foto’s maken. We konden hier ook leuke souvenirs op de kop tikken voor een goede prijs, afdingen was natuurlijk de boodschap. We kochten 2 “torritos de Pucara”, dit waren 2 dieren die de Peruaanse bevolking op het dak van hun huizen plaatste en geluk brachten.

Dag 29: Vrijdag 10 november

Deze morgen konden we het rustig aan doen, we moesten pas om 11u klaarstaan voor vertrek naar de luchthaven. Toen de bus er om 11u20 nog niet was, namen we een taxi want onze vlucht naar Lima steeg op om 12u15. Duurtijd van de vlucht: 1u en dan moesten we in Lima wachten tot 20u. Met Lufthansa vlogen we naar Frankfurt en daar kwamen we aan om 14u40 plaatselijke tijd.

Daar moesten we wachten tot 17u15 voor de vlucht naar Schiphol, waar we aankwamen om 18u15.

Einde van een prachtige vakantie.

Deze reis was een organisatie van Summum.