Vietnam en Cambodja reisverhaal

Reisverhalen en foto's van Freddy en Linda

The world is a book and those who do not travel read only a page

Reisverhaal Vietnam en Cambodja

6 november tot 2 december 2009


Onze vakantie begon al op 5 november want wij gingen overnachten in het Ibis Hotel in Badhoevedorp aan de luchthaven van Schiphol. Het voordeel daarvan was een relaxed begin van de reis en het feit dat onze wagen daar kon blijven staan gedurende de reis. Na het inchecken in het hotel hadden we al een mooi begin: we kregen kamer 2131 en een kaart om de deur te openen. We liepen echter verkeerd en probeerden kamer 2531 te openen wat natuurlijk niet lukte. Na een tijdje kregen we toch door dat we niet echt goed bezig waren, gelukkig was er niemand op de bewuste kamer terwijl wij er probeerden “in te breken”

 

Dag 1 en 2: Vrijdag 6 en zaterdag 7 november- vlucht en aankomst Hanoi

Om 6u ’s morgens ging de telefoon, de wekdienst van het hotel want we wilden de shuttlebus van 7u10 halen naar Schiphol. Wel vroeg maar of we hier nu zaten te wachten, of ginder, dat bleef gelijk.

Bij boeking hadden we aan Djoser gevraagd of één van ons aan het gangpad kon zitten maar bij het inchecken bleek dat we allebei aan het gangpad zaten maar niet bij elkaar. Dit hadden we bij Djoser nog al meegemaakt, zij houden geen rekening met mensen die samen boeken maar doen een groepsincheck via een alfabetische lijst. De mevrouw aan de balie was super vriendelijk en zette het misverstand recht, zelfs voor de vlucht van Singapore naar Hanoi, en regelde uitstekende plaatsen voor ons in het midden van het vliegtuig waarbij wijzelf niemand zouden hinderen en niet gehinderd zouden worden door anderen. Om 9u40 moesten we aan gate G6 zijn om te boarden. Het boarden zelf verliep vrij traag en uiteindelijk vertrokken we 11u10 met een half uur vertraging.

De vlucht zou 11 uur en 40 minuten duren en aangezien we niet goed konden slapen duurde die dan ook ein-de-loos. De laatste uren gingen maar niet voorbij en we verlangden echt naar het einde van de vlucht.

Op zaterdag 7 november landden we om 6u10 ’s morgens plaatselijke tijd (7u later dan bij ons) op Changi Airport in Singapore. Buiten was het 27 graden Celsius en dat zo vroeg in de ochtend. Changi Airport was een gigantische luchthaven met bloementuinen met orchideeën, vijvers met reusachtige kois, rustige zithoeken, talrijke winkels en eet-en drinkgelegenheden. Met de skytrain, een treintje op een fly over, moesten we van terminal 3 naar terminal 2 waar we moesten boarden om 9u05. Het vertrek was gepland om 10u05 maar omdat de piloot moest wachten op allereerst een paar late passagiers en ten tweede op vertrekkende en aankomende vluchten liepen we toch een kleine vertraging op.

Het frappante aan deze vlucht was dat we elk twee papiertjes in handen kregen gestopt om in te vullen. Ook al hadden we een visum voor Vietnam, toch moesten we nog een declaration en een healthy attest invullen. Op het healthy attest moesten we allerlei vragen beantwoorden zoals in welke landen we de laatste dagen geweest waren, of we hoofdpijn, koorts en dergelijke hadden.

De vluchttijd bedroeg 2 uur en 50 minuten en in Hanoi konden we ons uurwerk alweer een uur terug draaien want het was hier een uur vroeger dan in Singapore. Hier was het verschil met thuis dus 6 uur.

Bij aankomst op de luchthaven moesten we langs een koortsmeter om te kijken of er iemand bij zou zijn met verhoogde temperatuur en dus eventueel een drager van het H1N1 virus of Mexicaanse griep. Een bediende met mondmasker controleerde alles nauwgezet.

Het binnenkomen in het land verliep vrij vlot maar onze bagage liet heel wat langer op zich wachten. Er was maar 1 transportband en aangezien nog niet iedereen door de controle was, bleven heel wat koffers en tassen liggen en zo konden er geen nieuwe meer naar boven komen. Heel wat bagage heeft ontelbare rondjes gemaakt op deze transportband.

Eenmaal door de douane lieten we in de hal geld wisselen waarbij we ons al onmiddellijk miljonair voelden want voor 100 euro kregen we bijna 3 miljoen Vietnamese dong. Een briefje van 100.000 Dong was dus amper 4 euro waard.

Bij het verlaten van de luchthaven sloeg de warmte als een verhit deken op ons neer. Het was hier snikheet en de kleren plakten al vlug aan ons lichaam van het zweet.

Kwestie van transport mochten we niet klagen, we hadden een heel grote bus en dat zou de hele reis zo blijven. Onze reisbegeleidster heette Jill Van Hees die voor de eerste keer in Vietnam en Cambodja was en de lokale gids heette Vinh.

We reden naar het Bond Sen Hotel, een vrij simpel hotelletje in de stad, gelegen aan een heel drukke straat. We kregen van Vinh de raad om bij het oversteken van de straat niet te kijken naar links of rechts maar gewoon voor ons te kijken en door te stappen. Dit was de enige manier om de overkant van de straat te bereiken. Als je aarzelde en wachtte of keek, kon je eeuwen wachten en geraakte je nooit de straat over.

Om 17u30 kwamen we samen voor de eerste briefing en een kennismaking met de groep waarna we gezamenlijk gingen eten in Restaurant Quy Duong in dezelfde straat van het hotel. We aten fried noodles met elk 2 biertjes van 330 ml en voor de hele zaak betaalden we 90.000 Dong, dat is ongeveer 3,3 euro.

Al vrij vroeg wandelden we terug naar het hotel en kropen vlug in bed omdat we nog heel wat nachtrust hadden in te halen.

 

Dag 3: zondag 8 november – Hanoi

Het ontbijt, inbegrepen in de reissom, viel best mee. Het bestond uit een stuk stokbrood (overgebleven door de Franse invloed), jam, omelet, koffie of thee en een banaan. Koffie of thee bijvragen was geen probleem, alles was inbegrepen. Alleen de koffie vond ik niet te drinken, die had zo een rare cacaosmaak en dat zou de hele reis blijven duren. Freddy vond het lekker maar ik heb gedurende de rest van de reis thee gedronken.

Met de hele groep maakten we een cyclo toer door de stad, één persoon per fietstaxi want onze Europese lichaamsbouw liet geen twee personen toe. Een cyclo was het ideale transportmiddel om tegelijkertijd vervoerd te worden en het straatleven en het drukke verkeer te aanschouwen. Anderhalf uur lang reden we tussen en langs andere fietstaxi’s, miljoenen bromfietsers, blijkbaar hét transportmiddel bij uitstek, auto’s, bussen, fietsers, voetgangers, vrouwen met bamboestokken op de schouders met aan elk uiteinde een schaal gevuld met groenten, fruit of andere dingen die ze probeerden te verkopen. We zagen brommers die televisietoestellen, matrassen, grote kartonnen dozen, grote vierkante of rechthoekige ruiten, lange ijzeren buizen, gigantische boeketten bloemen, grote zwijnen en babyzwijnen, vissen, eenden, kippen en andere dingen of dieren vervoerden. Tevens zagen we ook brommers met de hele familie op stap, twee volwassenen en twee kinderen of drie volwassenen op één brommer waren hier alledaagse zaak. We keken onze ogen uit en we voelden ons gelijk in een andere wereld terwijl we langs nauwe de straatjes van de oude stad en langs het Hoam Kiem meer gevoerd werden. Talrijke bestuurders of voetgangers droegen mondmaskers in alle kleuren en motieven en in feite was dit geen overbodige luxe want er hing een doordringende smog door de vele uitlaatgassen.

De oude wijk van Hanoi was zodanig georganiseerd dat elke straatnaam met Hang begon wat winkel wilde zeggen. Eénzelfde ambacht of soort winkel waren in dezelfde straat gecentraliseerd en zo had je de straat van de schoenen, matten, leder, zijde, katoen, kleding enz.

Vanuit de cyclo hadden we een prima zicht op alles en het was een hele belevenis om middenin dit drukke verkeer te zitten. Verkeersregels bestonden hier niet, althans die indruk hadden we toch. Enkel bij rood licht stopte iedereen maar verder reed iedereen lustig door, druk toeterend om zich te laten opmerken. Rechts of links afslaan deed men gewoon op goed geluk af. Het enige dat je moest doen, was gas geven, diegene die als eerste op de rem duwde, was de pineut. Wie niet durfde, geraakte nergens heen. Opvallend was wel dat niemand tegen elkaar schreeuwde of zich druk maakte. Iedereen reed er gewoon op los, gas geven als het kon en remmen als het nodig was.

De weg naar het mausoleum van Ho Chi Minh en het presidentiële paleis was breed, het leek meer een boulevard en totaal anders dan de straten van de oude stad. Overal stonden wachters en op een gegeven moment konden de cyclo’s niet meer verder rijden en moesten we uitstappen. Bij het mausoleum moesten we onze tassen en camera’s aan de ingang achterlaten, ook aanstekers, ijzeren voorwerpen en flesjes water mochten niet naar binnen. Eenmaal door de security check stond er een gigantische rij wachtenden maar soms heb je dan als toerist en zeker in groepsverband het voordeel dat je niet moet wachten en je eerder naar binnen mag dus werd de rij tegengehouden door de bewakers en mocht onze groep voor. Moesten zulke dingen in ons land gebeuren dan zou je een hele hoop gemor horen maar deze Vietnamezen reageerden zelfs niet. We voelden ons niet echt goed bij de situatie maar konden er niets aan veranderen, blijkbaar was dit de normale gang van zaken. Ditzelfde fenomeen hadden we ook al meegemaakt aan de Taj Mahal in India waar we tienmaal zoveel entree betaalden als de lokale bevolking maar wel als eersten binnen mochten.

Normaal gezien was het mausoleum in de maanden oktober en november gesloten omdat in die periode het lichaam van Ho Chi Minh naar Rusland gevlogen werd voor zijn jaarlijkse onderhoud. Dus hadden wij geluk want sinds gisteren was het museum terug open. De wens van Ho zelf was nochtans om gecremeerd te worden maar nu kwamen elke dag horden mensen naar hem kijken en aanbidden.

De bezoekers, en ook wij dus, kwamen via trappen aan de ingang het mausoleum binnen, gingen naar links weer de trappen op en boven maakte men een rondje langs de glazen sarcofaag. Op de trappen en rond de sarcofaag stonden wachters in wit militair uniform om te kijken of iedereen zich respectvol gedroeg. Schouders en knieën van de bezoekers moesten bedekt zijn, Men mocht niet praten, geen handen in de zakken en geen petjes op het hoofd. Iedereen moest rustig blijven doorstappen, zelfs bij het lichaam mocht niemand blijven staan. Binnen in het mausoleum was het bar koud en het hele gebeuren maakte toch een zekere indruk zeker bij het zien van het gebalsemde lichaam. Het dunne haar, het sikje, het leek wel een wassen beeld uit het museum van Madame Tussaud. Bij het buitenkomen hadden we geluk en zagen we nog de wisseling van de wacht. Ondertussen was de zon volop gaan schijnen terwijl het deze morgen een beetje bewolkt was, daardoor werd het weer heel warm.

Achter het mausoleum lag het huis van Ho en het presidentiële paleis. Het paleis was verboden voor het publiek en alleen te bekijken aan de buitenzijde. Het werd gebruikt voor officiële ontvangsten.  Ho weigerde echter om in dit paleis te wonen en leefde en werkte in een paalwoning achter het paleis dat we konden bekijken langs een steiger aan de buitenkant. In het huis zou alles nog precies zo zijn zoals Ho het achterliet.

Daarna wandelden we naar de éénzuilige pagode waarvan de geschiedenis vertelde dat deze gebouwd werd door de kinderloze keizer Ly Thai Thong. Deze had een droom waarin hij de godin Quan Am op een lotusblad zag zitten met in haar uitgestoken hand een babyjongetje. Hij bouwde de tempel als symbool van de lotusbloem en kort daarna was de keizerin zwanger en schonk hem een zoon.

We wandelden naar de Tempel van de literatuur die omschreven werd als de mooiste en belangrijkste tempel van Hanoi. Deze was opgedragen aan Confucius en bestond uit 5 gebieden waarvan de centrale gang vroeger alleen gebruikt mocht worden door de keizer. Later werd het de eerste universiteit van de stad en wie hier afstudeerde, kreeg aanzien en mocht werken voor de staat.

Gedurende dit dagje uit hebben we meerdere malen moeten lachen. Martin, iemand van onze groep die 2,08 meter lang was en dus overal bovenuit stak, zeker bij die kleine Vietnamezen, werd telkens gevraagd om met hen op de foto te staan. Het was de bron van heel wat hilariteit bij hen maar ook bij ons. Martin bleef er heel kalm bij en ging telkens breed lachend op de foto. En we moesten echt wel toegeven dat het verschil in grootte tussen de kleine mensen hier en hemzelf gigantisch was.

Van de Tempel van de literatuur wandelden we ongeveer 2 km naar het Hoam Kiem Meer waar we op een dakterras gingen lunchen waarna we nog een wandeling rond het meer maakten om vervolgens een taxi te nemen naar het hotel.

Daarna hielden we het rustig, mail versturen naar thuis, een biertje drinken en vroeg naar bed. Internet was hier wel heel gemakkelijk, in elk hotel stonden één of meerdere computers waar men gratis kon internetten en mails versturen. Zo gemakkelijk hadden we het nog op geen enkele reis gehad.

 

Dag 4: maandag 9 november – Hanoi - Halong Bay

Na het ontbijt slenterden we wat rond in de wijk rond het hotel. Het was hier moeilijk lopen want telkens moest je van het voetpad afstappen door geparkeerde brommers, zittende mensen, gaten tussen de stenen, losliggende stenen, kleine of grote hopen afval enz. Aan de kant van de straat naast het voetpad liep je ook niet veilig want alles en iedereen raasde je voorbij.

In Hanoi reden er 3 miljoen brommers rond en de spitsuren liepen van 6 tot 8u ‘s morgens en van 16u30 tot 18u ’s avonds, alhoewel ik vond dat het er op alle momenten van de dag extreem druk was. In 1982 kostte een bromfiets 3000 US dollar en een rijke familie had toen 1 à 2 brommers. Vanaf het jaar 2000 verbeterde de economie en momenteel kon één familie gebruik maken van 4 à 5 bromfietsen. Vanaf de leeftijd van 18 jaar kon men met een bromfiets rijden maar men had wel een rijbewijs nodig dat echter gemakkelijk te bekomen was. Een rijbewijs kostte 25 $ maar iemand die gewoon de 25 $ betaalde, kreeg ook een rijbewijs. Japanse merken zoals Honda, Suzuki en Kawasaki kostten tussen 1000 en 8000 US $, Koreaanse en Chinese merken kostten amper 400 US $. De naam Honda was er zodanig populair dat Honda een verzamelnaam was voor bromfiets, ook als het geen Honda betrof, zei men Honda. Dit zagen we ook langs de straten, aan kleine werkplaatsen waar men het onderhoud of reparatie deed van bromfietsen stond een bord met de naam Honda. Die werkplaatsen waren meestal heel kleine ruimtes met amper plaats voor 1 of 2 bromfietsen. Er waren natuurlijk ook gigantische verkoopsruimtes met talrijke splinternieuwe bromfietsen maar die had je van alle merken. Door het drukke verkeer stierven elk jaar ontelbare mensen in het verkeer door ongevallen, dit zal ook wel met de rijstijl te maken hebben. Een auto daarentegen was heel duur in aankoop en alleen voor de heel rijken bestemd, er waren tevens hoge taksen voor auto’s.

In een koffiebar dronken we een Vietnamese black koffie, met een systeem zoals bij ons vroeger de filterkoffie. Het duurde een hele tijd eer de koffie was door gelopen maar die bleek uiteindelijk echt niet te drinken. We wilden er heet water bij vragen maar dat stond niet op de kaart en de eigenaar sprak niet zoveel Engels dat hij “hot water” verstond. Het bizarre was dat men in Vietnam alles dronk met ijs, zowel de koffie als het bier. En dan niet één blokje ijs maar een hele hoop blokken ijs, het ganse glas vol en daar de desbetreffende drank bij. Het was dus al bij al raar voor hen dat wij heet water vroegen maar dat wisten we toen op dat moment nog niet.

We wandelden verder en toen we een kapper passeerden, liep ik naar binnen. Mijn haar was te lang voor deze hitte en het irriteerde mij. Een meisje deed de ontvangst en een jongen waste mijn haar waarbij ik een hoofdmassage kreeg van maar liefst 15 minuten. Het grote verschil met thuis was dat je gedurende het haar wassen niet aan een wasbak zat maar languit lag. Het was veel gemakkelijker omdat je het hoofd niet zo echt achteruit moest leggen en het was veel meer ontspannend.

Daarna arriveerde de kapper op zijn brommer (nu wisten we tenminste de reden dat er zo veel brommers op pad waren!) Mijn haar werd geknipt, terwijl hij herhaaldelijk vroeg hoeveel er af moest en of het zo goed was. Er werd heel veel aandacht besteed aan het verwijderen van alle losse haartjes in de nek en het gezicht. Daar kunnen ze hier in België nog iets van opsteken. Voor de hele behandeling betaalde ik 10 dollar, nog geen 7 euro, bij ons kostte een kappersbezoek heel wat meer!

Om 13u vertokken we naar Halong Bay, iedereen met een dagrugzak want de grote bagage bleef achter in het hotel. Jill had fruit gekocht en liet ons ervan proeven in de bus. Het ene was granaatappel en was tamelijk zoet. Het andere was drakenfruit en van binnen leek het op een witte kiwi terwijl het er ook een beetje naar smaakte en heel lekker was. We zouden het nog veel zien tijdens ontbijten of na de maaltijden waarbij we soms gratis fruit aangeboden kregen.

Op het platteland zagen we lege rijstvelden terwijl Vinh vertelde dat er in het noorden van Vietnam 2 rijstseizoenen waren maar die waren nu voorbij en dus stonden de velden leeg terwijl de boeren zich momenteel concentreerden op het telen van groenten.

Na ongeveer vier uur rijden met een koffiestop onderweg kwamen we rond 17u30 aan in Bay Chai in het Asean Hai Ngoc Hotel, een heel mooi hotel met 9 verdiepingen en gigantisch grote kamers. Voor ons tweetjes hadden we een dubbel en een enkel bed, haardroger, gevulde minibar, allerhande accessoires op de badkamer zoals zeep, tandenborstel, tandpasta, shampoo, oorstokjes en kam. Deze accessoires waren er ook al in het hotel in Hanoi en het bleek dat dit hier de gewoonte was in Vietnam, in elk hotel had je gratis zeep, tandenborstel, kam en shampoo, in China was dit trouwens ook het geval, was dit nu Chinese gewoonte of Vietnamese gewoonte, ik weet het niet maar het was wel gemakkelijk.

We wandelden de straat bergaf want ons hotel was bijna op het hoogste punt van het dorp op zoek naar Asia Restaurant, vermeld in de Lonely Planet. De eigenaar had 2 jaar in Berlijn gewoond en sprak uitstekend Duits, we hebben er trouwens heel goed gegeten. Na het eten hadden we geen zin meer om nog verder naar beneden te lopen naar het strand en de haven en dus gingen we terug naar het hotel.

 

Dag 5: dinsdag 10 november – boottocht Halong Bay

Halong Bay lag in de Golf van Tonkin en bestond uit 2000 eilandjes met grillige vormen. Het leek op het karstgebergte dat we gezien hadden in Guilin in China met dit verschil dat we er nu tussenin konden varen. De erosie en de zee hadden spleten en rotsen uitgehouwen wat een werkelijk spectaculair zicht gaf.

We bezochten de Hang Dau grot, een gigantische grot met stalactieten en stalagmieten die werkelijk indrukwekkend was met 3 kamers op 180 meter boven zeeniveau gelegen en waarvoor we eerst 90 treden naar boven moesten klimmen. Halong Bay vonden we niet echt een hoogtepunt misschien ook omdat we het karstgebergte in China al gezien hadden (ja op de lange duur raakt een mens teveel verwend) maar deze grot was een echt juweeltje.

Daarna vaarden we naar een strandje waar we konden zwemmen of een heuvel beklimmen. De rest van de groep ging het strand op maar wij bleven op de boot die een eindje verder aanlegde. Op het dek konden we zonnen en de andere boten en de horizon bekijken.

Na het ophalen van de strandgangers kregen we een prima lunch geserveerd van grote garnalen, loempia’s met vis, krab, calamares, vis, rijst, groenten en een banaan. Kostprijs 4 euro pp, spotgoedkoop en heel lekker.

Rond 14u30 stapten we op de bus die ons zou terug brengen naar Hanoi. We hadden een twee korte stops aan een veld waar mensen aan het werk waren en een koffiestop in een pottenbakkerij.

Rond 18u30 kwamen we terug in hetzelfde hotel in Hanoi waar sommigen dezelfde kamer hadden. We verfristen ons en gingen nog een hapje eten in Quy Duong, het restaurant waar we de eerste avond van deze reis aten. Juul en Mathijs en Koos en Rie passeerden het restaurant, zagen ons zitten en kwamen ook het restaurant binnen.

Onze kamer in het hotel lag nu op de derde verdieping in plaats van op de tweede maar op straat heerste terug een hels lawaai waardoor oordoppen geen overbodige luxe waren.

 

Dag 6: woensdag 11 november – Hanoi, vlucht Hué

Om 10u vertrokken we naar de luchthaven voor onze binnenlandse vlucht naar Hué. Op weg naar de luchthaven was er een gigantische file op de brug over de Rode Rivier. De rijweg telde langs de beide kanten 2 rijvakken maar enkele ongeduldige Vietnamezen reden gewoonweg links uit de file weg op het linkse rijvak van de tegenovergestelde richting, gaven gas en probeerden zo de file te omzeilen. De chauffeurs van de auto’s uit de andere richting vonden het blijkbaar normaal en gingen allemaal netjes op het rechtse rijvak rijden. Wij lagen in een deuk toen we dit zagen gebeuren, zoiets zou je in onze landen eens moeten doen! Op zeker moment loste de file zich vanzelf op bovenop de brug waar iedereen op 1 rijvak moest door wegenwerken.

Onze vlucht met een Airbus A320 vertrok om 12u30 en duurde 50 minuten om de afstand van 549 km te overbruggen tussen Hanoi en Hué.

Toen we de luchthaven buiten kwamen, sloeg de hitte ons tegemoet. En wij die dachten dat het in Hanoi al warm was!

Volgens Vinh kwamen we hier in het regenseizoen terecht. Vietnam spreidde zich in de lengte uit over een afstand van meer dan 2000 km en zo had je verschillende seizoenen in het noorden, midden en zuiden. In het noorden had men 4 seizoenen zoals bij ons, in het zuiden had men maar 2 seizoenen en dat was het droge en het natte seizoen. Twee weken geleden regende het in Hué van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en nu was het echt heet maar liever dat dan regen want regen hadden we in België al meer dan genoeg.

Om 14u30 kwamen we aan in het Gold Hotel, mooi hotel met mooie grote kamers. We dropten de rugzakken op de kamer en gingen door de straten lopen. Hué was een kleine stad met minder lawaai en veel rustiger dan Hanoi. We hadden de indruk dat iedereen hier ook veel vriendelijker was maar misschien leek dit alleen maar zo. Hanoi was de hoofdstad en meestal zijn mensen in kleinere steden of dorpen wel anders.

Toen we met de Lonely Planet in de hand op zoek waren naar het Tropical Garden restaurant om een biertje te drinken en ik de naam gewoon luidop uitsprak tegen Freddy kwam er al onmiddellijk een jongen op ons af om ons de weg te wijzen. Hij vroeg van welk land we afkomstig waren maar verder wilde hij niets, gewoon vriendelijkheid en behulpzaamheid. Echt een verademing als je al in landen geweest bent waar je achter alles iets moest zoeken.

Tropical Garden was een leuke plek met tafeltjes en stoelen in een tuin met tropische bomen, heel gezellig zitten en heel rustig. Ze vroegen ons om er die avond te eten maar daar hadden we geen zin in want de eetzaal was gevuld met lange tafels die gereserveerd waren door grote reisgezelschappen. Aan de beide kanten stonden kleine tafels van 2 of 4 personen en vanaf 19u was er een traditionele muziekvoorstelling en aan zulke dingen hebben wij een echte hekel omdat alles zo toeristisch ingesteld is.

Na een flinke douche en het inleveren van de was in het hotel gingen we eten in het Carambole Restaurant, vermeld in de Lonely Planet en het moet gezegd worden, het was een aanrader! De plaatselijke specialiteit van Hué waren gevulde pannenkoekjes met vlees of groenten maar wij deden onze eigen zin en aten eend en biefstuk en daar hadden we achteraf geen spijt van.

 

Dag 7: donderdag 12 november – boottocht Hué

Het ontbijt deze morgen was heel wat gevarieerder dan in Hanoi waar er enkel brood met jam of een ei te eten was. Nee, ik zou liegen want je kon er ook kippe- of noedelsoep krijgen maar wie at nu in godsnaam om 7u ’s morgens een noedelsoepje?

Om 8u vertrokken we voor een boottocht naar de Thien Mu Pagode, een pagode gelegen aan het water en gebouwd in 1621. Aan de pagode, in een overdekt gebouw, stond de blauwe Austin waarmee de monnik Thich Quang Duc in 1963 naar Saigon reed en zich daar midden op straat in brand stak uit protest tegen het regime van Diem.

Het was ontzettend heet en alles plakte aan je lichaam. De zon brandde ongenadig en een petje was geen overbodige luxe. Zelfs het hemd van Vinh was kletsnat van het zweet, als hij het al warm vond, wat moest het voor ons dan niet zijn?

Daarna gingen we naar de graftombe van Tu Duc, één van de Nguyenvorsten die leefde in de 19e eeuw. Dit was naar het schijnt de mooiste van alle tombes en er waren verschillende paviljoenen gebouwd aan een meer. De tombe was echter nep want het lichaam van Tu Duc werd begraven op een onbekende plek en iedereen die hierbij betrokken was, werd achteraf onthoofd om de plaats voor altijd geheim te houden.

Aan de ingang stonden souvenir- en drankstalletjes en toen we in één van die stalletjes een cola gingen drinken en daarna de hele groep er kwam bij zitten, ging de prijs van een blikje cola gelijk van 10.000 naar 15.000 dong. Dit was natuurlijk niet naar onze zin en na een discussie hebben we onder hevig protest toch maar 10.000 dong betaald. Het ging ons niet om die 5000 extra maar we hadden er een hekel aan als men ons probeerde af te zetten. Dit was een lesje voor de toekomst, altijd onmiddellijk afrekenen!

Met de bus gingen we terug naar het centrum en we stapten met bijna de hele groep af aan de citadel. De anderen gingen eerst lunchen maar wij gingen direct naar de citadel en de keizerlijke stad. Het deed ons denken aan de Verboden Stad in Beijing maar dan veel kleinschaliger en helemaal niet zo mooi. Veel dingen hier in Vietnam deden Chinees aan zoals pagodes, versieringen, souvenirs, gebruiksvoorwerpen en zo meer. Dit zou wel te maken hebben met de geschiedenis van het land en de Chinese overheersing. We vroegen ons dus af of dit in het zuiden ook nog zo zou zijn. Vanaf de Citadel liepen we te voet naar het hotel terug, eerst de Trang Tien brug over en dan naar het postkantoor waar ze eerst netjes onze kaarten afstempelden zoals we gevraagd hadden om er zeker van te zijn dat ze achteraf de postzegels niet zouden afweken. Na afstempeling moesten we de kaarten terug meenemen naar buiten om ze daar in een brievenbus te steken, ze direct binnen houden was iets te gemakkelijk, denk ik.

Bij Missy Roo gingen we een biertje drinken in de binnentuin. Toen we daar goed om ons heen keken, zagen we twee ratten vrolijk heen en weer lopen. Ze liepen zelfs de straat op en langsheen onze tafel weer terug naar achteren. Er zullen er waarschijnlijk wel meer gezeten hebben maar van ratten moet je niet bang zijn, die vallen alleen aan als ze in het nauw gedrongen worden.

In een winkeltje kochten we twee zijden lakenzakken, ideaal voor reizen waarbij je een nachtelijke treinrit zou maken of in een hotel een niet zo proper bed zou aantreffen.

’s Avonds gingen we een pizza eten bij Little Italy, je kon hier kiezen uit twee verschillende maten van 20 of 27 diameter en ook of de bodem dik of dun moest zijn. Voor 2 grote pizza’s en 2 grote Tiger bier van 640 ml betaalden we een kleine 10 euro.

 

Dag 8: vrijdag 13 november – Hué - Hoi An

Om 8u vertrokken we naar Hoi An en onderweg passeerden we een lokaal marktje. Vinh vertelde dat de vrouwen elke dag naar de lokale markt gingen om eten te kopen voor die dag. De markt begon al vroeg om 6u en duurde tot 9u, om daarna weer te beginnen om 14u tot 16u. De boeren verkochten hun waren en met het verdiende geld kochten ze dan eten voor hun gezin. Een gewoon gezin spendeerde ongeveer 50 US $ per maand en kon daarvan goed leven. ’s Morgens werd er in een Vietnamees gezin geen ontbijt gemaakt want daarvoor had men geen tijd. Men stond om 6u op en ging ontbijten in een lokaal restaurantje. Daarna werden de kinderen naar school gevoerd. Vooraleer de vader naar zijn werk ging, las hij eerst nog de krant. ’s Middags at men dan rijst in een lokaal restaurantje en de belangrijkste maaltijd was ’s avonds waarvoor meestal zelf gekookt werd.

De werkuren op kantoor liepen van 8u30 tot 11u30 waarna men lunchte en een dutje deed op kantoor, na de middag werkte men van 13u30 tot 16u30 en dit 5 dagen per week. Deze werkuren golden voor de mensen in dienst van de staat, in de privé was dit hetzelfde maar daar werkte men ook op zaterdag een halve dag.

Onderweg zagen we veel eucalyptus bomen. Dit had te maken met de Vietnamoorlog van de Amerikanen. Zij dropten 42 biljoen liter Agent Orange uit vliegtuigen gedurende een tijdspanne van 20 jaar. Deze Agent Orange, een afschuwelijk gif, drong diep in de grond en maakte alles kapot. Het was tevens de oorzaak dat later geboren kinderen met de meest afgrijselijke handicaps ter wereld kwamen. De eucalyptus bomen waren een middel om het gif te verwijderen uit de grond.

We stopten aan Lang Co Beach, volgens de reisgids een schitterende baai met het mooist denkbare blauwe water en hagelwit strand maar dat viel dik tegen. Misschien had dit te maken met de flinke bui die we onderweg hadden? Op dat moment speelde het voor ons geen rol want we zaten lekker droog in de bus maar hier was het natuurlijk iets anders.

We arriveerden in Danang, een stad met bijna 2 miljoen mensen waarvan de economie sterk steeg. Drie weken geleden was hier een tyfoon gepasseerd en langs de kust waren 4 zeeschepen gewoonweg als kleine schuitjes op de kades gegooid. Twee ervan waren al vrijgemaakt hetgeen uiteraard een dure zaak was maar de twee andere lagen er nog, vleugellam geslagen op het droge.

Wat tyfoons betreft, deze kwamen nooit voor in het noorden en zuiden, enkel in het midden van het land, en dit gebeurde zeker 8 à 9 keer per jaar. De huizen waren hierop voorbereid want op elk zinken dak lagen zakken vol stenen om het wegwaaien van de zinken golfplaten te voorkomen. Door die tyfoons had je ook veel overstromingen in Hué en Hoi An omdat die plaatsen laag gelegen waren.  Een andere groep van Djoser had dit meegemaakt en zij stonden tot hun knieën in het water op dat tijdstip.

In Danang bezochten we het Museum of Cham Sculpture, een museum met voorwerpen en sculpturen van de Cham cultuur. Het was wel een prachtig museum met unieke stukken maar we hadden het groter verwacht.

Na een half uurtje rijden, stopten we bij de Marble Mountains waar we eerst met zijn allen gingen lunchen. Als je naar het toilet wou, moest je buiten je schoenen uitdoen en daar klaarstaande slippers aantrekken. Dan pas kon je binnen gaan en daarop werd er een WC voor je opengemaakt want alle WC’s waren op slot. Heel grappig in feite maar het grote voordeel was dat het er heel proper was.

We liepen naar Marble Mountains, de grootste toeristische trekpleister van de streek. Vijf bergen die elk een natuurlijk element representeren: aarde, water, vuur, hout en edelmetaal. We beklommen een steile trap met hoge treden om naar boven te komen en de ene berg was spectaculair vanwege de natuurlijke grotten. We klommen in een andere grot langs een smalle kloof over grillige en grote rotsblokken en stenen die gedeeltekijk uit marmer waren, het had iets weg van speleologie.  Soms moest je goed uitkijken naar de juiste plaats om je voet te zetten en je zo naar omhoog te werken langs kleine ruimtes en gangen. Gans boven op de berg had je een weids uitzicht over China Beach en van daaruit moest je weer naar beneden klimmen over en tussen grillige rotsblokken. Al bij al vonden we Marble Mountains meer een soort bezigheidstherapie en niet zo fantastisch als het werd beschreven.

Toen we in Hoi An aankwamen en de Cam Nam Brug wilden overrijden, ontdekte onze chauffeur dat die afgesloten was voor verkeer. Hij moest dus draaien op een klein kruispunt en veroorzaakte heel wat verkeershinder maar in plaats dat iedereen dan ging wachten, probeerden er verschillende fietsers en bromfietsers nog langszij te passeren. Op zulke momenten vroegen we ons af waarom iedereen in godsnaam altijd zulke haast had in deze landen. In andere omstandigheden was er altijd tijd genoeg en deed iedereen het kalm aan behalve in het verkeer.

Wijzelf en ook onze bagage werden in een minibusje naar het hotel gebracht, een ander hotel dan op onze lijst stond maar daar gaven we niet om want het Pho Hoi Riverside Resort was een schitterend hotel met zwembad en meer centraal gelegen dan het oorspronkelijke hotel. Achteraf bekeken hadden we even goed te voet kunnen gaan van de bus naar het hotel want het lag net aan de andere kant van de brug.

Op de kamer namen we een douche want we stonken weer naar het zweet. De rest van de groep ging een wandeling maken door Hoi An maar wij hadden geen zin in een wandeling met 20 personen door de straten, allemaal op een rijtje achter de gids aan. We zouden Hoi An wel de volgende dag verkennen terwijl de rest van de groep ging fietsen of een kookcursus volgen.

’s Avonds gingen we een hotpot eten in Mermaid restaurant, weer een restaurant uit de Lonely Planet. De hotpot mix met vlees, kip en vis was lekker en met twee biertjes van 640 ml betaalden we weer amper 8 euro.

 

Dag 9: zaterdag 14 november – Hoi An

In feite zouden we deze dag uitslapen maar om half acht waren we alweer wakker. Het ontbijt ging door in een grote zaal van 500 plaatsen aan de oever van de rivier, een schitterende locatie en een uitgebreid ontbijtbuffet was de kers op de taart.

Hoi An was oorspronkelijk een rustig havendorpje aan de rivier maar door de opkomst van het toerisme ontwaakte Hoi An als het ware. De oude stad telde een overvloed aan de winkeltjes, kledinghuizen en restaurants maar toch zag je hier en daar nog de overblijfselen van oude huizen. Tot 1613 was Hoi An dé haven van Vietnam maar in latere jaren was de haven niet diep genoeg meer voor de steeds groter wordende schepen.

We maakten een wandeling beschreven in de Lonely Planet en kochten een ticket waarmee men 5 bezienswaardigheden kon bezoeken. Deze tickets waren te koop op diverse plaatsen in het dorpje. Als je meer dan 5 bezienswaardigheden wilde bezoeken, moest je een nieuw ticket kopen en de opbrengst ervan werd gebruikt voor restauratie en behoud van de oude stad.

We slenterden rond en bezochten de Assembly Hall of the Chaozhou Chinese Congregation, de Quan Cong Tempel met daarin het Hoi An museum of history and culture, het Quan Tong Old House en de Japanse brug waar juist een trouwreportage aan de gang was van een pas getrouwd paar. We liepen naar de plaatselijke markt wat in zulke landen altijd weer een hele belevenis was. Vis en vlees lagen gewoon uitgestald op kleine tafeltjes, hier geen koeltogen of dergelijke andere koelmethodes, alles gewoon lekker in de zon met een paar vliegen op. We dachten eraan dat wij in de restaurants ook van dit vlees of vis aten maar daar wilden we niet verder op in gaan want op die manier mocht je niets meer eten gedurende de vier weken dat wij hier verbleven.

In de namiddag kwamen we Marc, de andere Belg uit onze groep tegen en we gingen een biertje drinken in Brothers Café. Dit was een café dat vermeld stond in de Lonely Planet als prachtig Frans koloniaal gebouw met een mooie tuin, gelegen aan de rivier. De beschrijving klopte, ook het feit dat de prijzen hoog waren. Er stond echter niet vermeld dat het personeel hooghartig en vooral heel onvriendelijk was en dus zouden we hier vanavond in geen geval eten.

Marc had de avond ervoor de maten laten opnemen voor een kasjmier pak en 3 zijden hemden want Hoi An was dé plek om kleren te laten maken op maat. Hij moest dit gaan passen om de laatste correcties aan te brengen en dus liepen we met hem mee naar de kleermaker. Onderweg kwamen we Bart en Joyce tegen en die liepen dan ook maar met ons mee. Bij de kleermaker kwam ook Martin binnen gewandeld want die moest ook komen passen. Martin was de man van 2,08 meter lang en hij moest dan ook meer betalen voor zijn pak en hemden dan Marc omdat er meer stof voor nodig was. Bij het aanpassen moest het meisje op een bankje staan omdat ze niet groot genoeg was om bij de hemdkraag van Martin te komen.

Daarna liepen we op ons gemak terug naar het hotel en onderweg zijn we bijna iedereen van de groep tegen gekomen die volop vertelden van hun fietstocht langs de rivier en de dorpjes.

Bij een plaatselijke uurwerkhersteller kocht ik een lederen bandje voor mijn uurwerk, amper 3 euro en dus heb ik er een tweede gekocht als reserve.

In het hotel keken we eerst nog eens naar de mail van het thuisfront. Reizen in verre landen dezer dagen was toch gans anders dan pakweg 10 jaar geleden. Toen was het contact met thuis miniem, een kort telefoontje in een plaatselijk kantoor terwijl je momenteel in feite elk moment van de dag met elkaar kon communiceren via mail of mobiele telefoon. Vietnam was dan nog een luxe met zijn gratis internet in elk hotel.

’s Avonds gingen we eten in Dac San Hoi An. In vergelijking met het Mermaid Restaurant van de dag ervoor was het er niet zo druk maar het eten was goed en dat was toch het belangrijkste.

 

Dag 10: zondag 15 november -  Hoi An

Deze morgen moesten we om 6u vertrekken naar My Son. We hadden een tripje geboekt met 5 personen: Juul en Thijs, Raimond en wijzelf. De anderen hadden geen zin om mee te gaan en dus werd er een minibusje voor ons geregeld. De chauffeur van het minibusje was een vriend van onze buschauffeur en dus brachten hij en Vinh ons naar de andere kant van de brug waar het busje ons stond op te wachten.

Eenmaal onderweg zagen we al een hele bedrijvigheid op straat, wij die dachten dat iedereen om 6u ’s morgens nog in bed lag, hadden het grondig mis. We reden door verschillende dorpjes en zagen vanuit de bus het leven van de dorpsbewoners. Mensen ontbeten aan straatstalletjes, kinderen speelden met hun hondje, vrouwen maakten het huis schoon, hingen de was op en gingen naar de markt, bromfietsers reden heen en weer alle kanten op. Geweldig om dit alles te bekijken, het was net of er zich buiten het busje een film afspeelde.

Onderweg aten we het meegekregen ontbijt van het hotel dat bestond uit brood, boter, jam,  gekookt ei, banaan en een flesje water, heel netjes trouwens.

Om 7u waren we al in My Son, dit hadden we bewust zo geregeld om vóór de horden toeristen te zijn die My Son dagelijks telde. We waren niet de eersten maar het was er zalig rustig en op dit tijdstip konden we nog foto’s nemen zonder dat er een heleboel mensen opstonden. My Son was een overblijfsel van het Cham tijdperk. Oorspronkelijk stonden er veel meer tempels maar deze waren verloren gegaan door het tropische klimaat en door plundering. Deze tempels waren gelegen middenin de jungle en dat was toch wel fascinerend. Zij waren onderverdeeld in verschillende groepen en om van de ene groep naar de nadere te komen, moest je langs aangelegde paden tussen de woekerende jungle. We hoorden en zagen er talrijke vogels en mooie bloemen. Een deel van de tempels was verwoest en platgebombardeerd door de Amerikanen omdat My Son indertijd door de Vietcongguerrilla’s  gebruikt werd als uitvalsbasis. Op zulke en andere momenten kwam de gedachte in ons op dat de Vietnamezen toch heel haatdragend moesten zijn tegenover de Amerikanen die in dit land zoveel verwoest en kapot gemaakt hadden.

Terug aan de uitgang gingen we nog iets drinken in het restaurantje en we waren blij dat we er zo vroeg bij waren voor dit bezoek. De parking stond vol met bussen, taxi’s en minibusjes en het was er een drukte van jewelste. Er was weer een trouwreportage aan de gang en sommige van de toeristen kenden geen schroom en gingen gewoon van heel nabij foto’s nemen van het bruidspaar zonder enig respect voor hun privacy.

Op de terugweg stopte de chauffeur aan een huisje waar rijstpapier te drogen lag. We konden binnen kijken waar de vrouw dit rijstpapier maakte en we konden het ook proeven. Het rijstpapier werd na droging in de zon weer nat gemaakt en gebruikt om loempia’s te maken. Achterin zaten een zwijn met 4 biggen die we te eten konden geven en aan een stalletje hing een oude TV waarvan de beeldbuis verwijderd was en daarin zat een witte duif. Prachtig allemaal en het leverde mooie foto’s op. We konden de duiven ook voederen, als we wat maïs in onze handen hielden, kwamen de duiven op onze arm zitten om te eten. De eigenaar toonde aan de hoogte van zijn deur hoe hoog het water stond bij de laatste overstroming twee weken geleden, alles stond onder en achteraf moesten deze mensen terug van nul herbeginnen en alles schoon maken of weer op bouwen.

Rond 10u45 waren we terug in het hotel en we waren heel blij dat we deze trip naar My Son meegedaan hadden, we hadden een leuk gezelschap gehad waarbij iedereen op elkaar wachtte en dezelfde interesses had, heel aangenaam.

Na een uurtje relaxen op onze kamer gingen we nog wat rondslenteren in de oude stad. In Restaurant Morning Glory aten we spring rolls met noedels. Morning Glory was een heel mooi restaurant met achteraan mooie en propere toiletten met opgerolde kleine handdoekjes om je handen af te drogen. En weer heel goedkoop, voor de spring rolls en twee bier amper 5 euro.

In een winkeltje kochten we een Vietconghelm, deze had ik al een tijdje gezien en na wat twijfelen dus toch maar gekocht. In een ander winkeltje kochten we een Vietnamese waterpijp, een echt authentiek ding. We wandelden diverse winkels af maar van het exemplaar dat wij kochten, zag je er nergens anders eentje, wel andere modellen maar niet dat van ons. In eerste instantie wisten we niet wat het was maar de eigenaar die heel goed Frans sprak gaf ons de hele uitleg en na een tijdje onderhandelen en afdingen waren wij de nieuwe eigenaar.

In de namiddag gingen we in de bar van het hotel internetten en een biertje drinken. We zaten op het terras aan de rivier waar een fris windje waaide en het was er zalig rustig. Dit was vakantie en we genoten dan ook ten volle!

’s Avonds hadden we geen zin meer om nog ver te lopen en Freddy die een echte vleeseter is, had zin in een goed en groot stuk vlees en dus deden we wat we normaal gezien nooit doen op vakantie, we gingen eten in het hotel. We zaten er goed, aan een tafeltje met zicht op de rivier, lekker buiten zoals in vele gelegenheden hier. Het was hier altijd warm, zelfs ’s avonds laat dus buiten zitten was aangenaam. Toen Freddy de rib-eye die op de kaart stond wou bestellen, kwam al meteen het traditionele antwoord van deze landen en dat was “no have”. We konden ons nog net inhouden om in een lach te schieten want in deze landen hadden we al herhaaldelijk meegemaakt dat ze een uitgebreide menukaart hadden maar de helft daarvan niet voorradig was. De kelner zei dat er wel nog Vietnamese biefstuk was maar geen Australische terwijl we ons afvroegen hoe je kon controleren welk rund je op je bord kreeg. We bestelden dus tweemaal Vietnamese biefstuk met french fries, rijst en een mix van gebakken groenten. Het meisje dat de bestelling moest opnemen, begreep er duidelijk niets van maar de kelner zei dat hij het begrepen had. Na een tijd kwam het eten, één keer biefstuk voor Freddy en mix groenten en rijst voor mij. Toen we zeiden dat we nog een tweede biefstuk wilden, gingen ze dat van Freddy wegnemen. Hilarisch gewoon maar uiteindelijk hadden ze door dat we toch nog een tweede biefstuk wilden. Freddy had dus al gedaan met eten toen mijn biefstuk eraan kwam maar dat was heel normaal in deze landen, kwestie van timing was het een ramp. Ze gingen dus ook maar onmiddellijk mijn groenten wegnemen en dus hebben we hen duidelijk gemaakt dat ze die nog even moesten laten staan. We bleven ons geduld bewaren en vriendelijk lachen wat zeker moet in deze landen want deze mensen probeerden zo erg hun best te doen om het ons naar de zin te maken.

Gedurende de ganse maaltijd stond het meisje op onze handen te kijken en zag elke hap in onze mond verdwijnen. Na het eten hadden we geen tijd om onze mond schoon te maken met een servet of de borden werden al weg gehaald maar als dessert kregen we een schaaltje fruit aangeboden van de zaak. Het was de duurste maaltijd tot nu toe, ongeveer 14 euro, maar het was een lekkere biefstuk en we hebben heel wat afgelachen met het hele gebeuren.

Om 9u lagen we al in bed, moe van de hitte, het reizen en de vele indrukken die we te verwerken kregen op amper 10 dagen tijd.

 

Dag 11: maandag 16 november – Hoi An - My Lai – Qui Nhon

We gingen om 7u vertrekken maar het werd al gauw 7u30 en dit fenomeen zouden we nog wel een paar keer meemaken. Jill bleek altijd de laatste op het appel. Niet dat het ons deerde, we hadden vakantie maar op andere reizen werd in het begin van de reis door de reisbegeleiding toch steeds gevraagd dat iedereen op tijd zou zijn.

Deze keer gingen we zelf de brug over maar de bagage werd met karretjes van het hotel over de brug naar de bus gebracht. We mochten niet klagen, er werd uitstekend voor ons gezorgd.

Vanuit de bus konden we het leven en gedrag van de bevolking uitstekend gadeslaan en het viel ons op dat de huizen in dit land allemaal uit baksteen, bezet met cement bestonden. Slechts hier en daar zag je sporadisch een hutje uit hout of bamboe. Het land was duidelijk in opmars, de economie draaide op volle toeren en de meesten probeerden zich op te werken en hadden het goed.

Onze eerste stop was aan een biggenmarkt waar krijsende biggen veranderden van eigenaar. Ze werden met meerdere tegelijk in een mand gedropt en vervoerd achterop een bromfiets. De bedoeling was dat de nieuwe eigenaar deze biggen nog een tijdje hield om ze daarna verder te verkopen of te slachten voor de hele familie.

We zagen onderweg talrijke bussen, reisbussen en lokale bussen. In een reisbus zaten 45 mensen maar in een lokale bus werden dikwijls 80 à 90 mensen dicht op elkaar gepropt. Soms gebeurde het zelfs dat in slaapbussen mensen op een mat in de bagageruimte werden gelegd om op die manier zoveel mogelijk mensen mee te nemen. Om de afstand tussen Hanoi en Saigon af te leggen werd 2 volle dagen en 1 nacht aan één stuk door gereden.

In een klein dorpje hadden we een koffiestop waar iedereen klaagde over de vuile toiletten. Ik ben er ook geweest, het was vuil maar toch te doen, eenmaal je de openbare toiletten in China gezien en gebruikt hebt, valt alles best mee en op de duur ga je relativeren.

De stop in My Lai was wel indrukwekkend. My Lai was een dorp waar op 16 maart 1968 Amerikaanse soldaten binnenvielen. Zij wilden wraak voor het doden van een aantal van hun vrienden en om 8u30 ’s morgens vielen zij het dorp aan omdat zij dachten dat zich daar Vietcong soldaten schuilhielden. Vrouwen, oude mensen en kinderen werden als beesten afgeslacht. Eén Amerikaanse soldaat schoot zichzelf in de voet om niet aan deze slachtpartij te hoeven deelnemen. Onder hen bevond zich een fotograaf die foto’s nam van het hele gebeuren maar deze foto’s werden pas een jaar later vrijgegeven. Toen alle feiten bekend werden, werd de bevelhebber veroordeeld maar president Nixon verleende hem gratie zodat de man geen dag in de gevangenis heeft doorgebracht. Bij het hele gebeuren werden 504 mensen gedood. Een Amerikaanse helikopterpiloot heeft nog een aantal mensen kunnen redden en werd achteraf door de bevolking als een held onthaald.

We bezochten het museum, het monument en de massagraven en alles liet een diepe indruk na. Tijdens het bezoek en achteraf op de bus was het heel stil. Persoonlijk vond ik wel dat alles heel eenzijdig voorgesteld werd. De Vietcong zullen ook wel geen lieverdjes geweest zijn en het gebeuren was inderdaad totaal zinloos en gruwelijk maar in elke oorlog gebeuren zinloze en gruwelijke dingen die misschien nooit het daglicht zien.

Na de lunchstop hadden we verschuillende stops langs de kant van de weg. Eerst bij een vrouw die de drogende rijst in een kom schepte en van hoog boven haar hoofd de rijst naar beneden liet vallen. De rijst van lage kwaliteit vloog weg in de wind en de rijst van hoge kwaliteit bleef liggen omdat die zwaarder was.

De tweede stop was bij veldwerkers die het lange gras bij elkaar bonden om te drogen. Dit gras zou achteraf dienen voor het vlechten van vloermatten en hangmatten.

We zagen ook het vermalen van tapioca in een wit poeder dat achteraf gebruikt werd om rijstpapier te maken.

We vonden wel dat deze reis goed opgebouwd was, bij reisdagen zorgde Vinh telkens voor leuke stops en dat brak het lange zitten op de bus.

Ondertussen werd het donker en we geraakten moeilijk vooruit vanwege het drukke verkeer. Fietsers en bromfietsers reden gewoon zonder licht en waren soms moeilijk te zien. Vanuit de bus konden we binnen in de huizen kijken want overal brandde ondertussen de verlichting in de huiskamer. Deuren bleven open staan en vaak hadden ze vooraan een grote poort zodat je de hele leefruimte kon zien. Iedereen had een televisietoestel, geen flatscreen zoals wij er een hebben maar het model van een hele tijd geleden. Privacy was nul maar dat had je nooit in deze landen, niet zoals bij ons waar ’s avonds iedereen binnen zit in zijn eigen huis en soms zijn buren niet kende.

Rond 19u kwamen we aan in Seagull Hotel, een kanjer van een hotel maar eenmaal je verder ging kijken, donderde je van een rots door desillusie. Volgens de beschrijving had je er een zwembad, vier grote restaurants, een kapper en welness ruimte.

We gingen dus op zoek naar een restaurant want heel de groep ging eten in het hotel omdat we al zo laat aangekomen waren en het hotel 2,5 km van het centrum lag. We gingen eerst een kijkje nemen aan het zwembad dat meer leek op een grote visbokaal. Van de vier aangekondigde restaurants bleek er bij nader zoekwerk maar eentje over en daar werden we dus verplicht om te eten, niemand ging zitten waar hij of zij wilde, neen we waren deelnemers van de Djoser groep en er was een lange tafel gedekt voor ons. Daar hebben we een hekel aan maar soms moet je eens wat water bij de wijn doen en dus schoven we aan. Verder was het hele gedoe een beetje op zijn Chinees, de dienster legde tweemaal mijn servet op mijn schoot en ik legde het elke keer terug op tafel. Ondanks al dat bekakte gedoe aan tafel werd het nog een gezellige avond met onze reisgenoten. Naar het welness center gingen we maar niet meer op zoek want hoogstwaarschijnlijk was dit ook onvindbaar zoals alle dingen in dit hotel.

 

Dag 12: dinsdag 17 november – Qui Nhon – Nha Trang

We vertrokken om 8u30 naar Nha Trang. Deze nacht had het geregend, gelukkig stonden onze Teva’s, die we de vorige avond eens goed afgewassen hadden, onder het afdak op het balkon anders waren ze zeker niet droog geweest. Ook toen we vertrokken, regende het nog, een miezerige regen maar toch regen en dat waren we niet meer gewend.

We stopten op de top van een berg waar een uitzichtpunt was op een vissersdorpje maar door de regen hing er een mist over de bergen en het dorpje. Onze chauffeur dacht dat we omwille van de regen geen wandeling wilden maken in het vissersdorpje en reed dus door. Toen Jill het in de gaten kreeg, waren we het dorpje natuurlijk al lang gepasseerd maar er werd beloofd dat we dan wel zouden stoppen in een volgend dorpje.

Na een uur rijden bezochten we een familiebedrijfje waar ze vissaus maakten. Het fabriekje was vrij eenvoudig en de overweldigende visgeur was echt verschrikkelijk.

Na weer anderhalf uur rijden stopten we aan het strand voor de lunch. We aten er spring rolls en voelden ons achteraf dik belazerd want het was ten eerste niet lekker en ten tweede veel te duur volgens de normen van het land. We waren al lang genoeg in Vietnam om te weten hoeveel je ongeveer betaalde voor bepaalde zaken.

Tijdens de busrit vertelde Vinh ons over het schoolsysteem in zijn land. Volgens de leeftijd had je bepaalde scholen: van 3 tot 5 de kindergarten, van 5 tot 11 de lagere school, van 11 tot 14 de secundaire school, van 14 tot 17 de hogeschool en van 18 tot 22 of 24 de universiteit. De school was niet gratis en de kosten varieerden volgens de school, een familieschool of een staatsschool. Peuters van 3 tot 5 gingen een hele dag naar school terwijl schoolgaande kinderen van een hogere leeftijd maar een halve dag naar school gingen en dat kon nog variëren tussen voormiddag of namiddag. Universiteitsstudenten hadden vaak ’s avonds een job in een restaurant om de schoolkosten terug te verdienen.

Na weer anderhalf uur rijden, hadden we de beloofde stop in een vissersdorpje. Hier zagen we voor het eerst de coracles, de grote ronde bamboemanden waarmee de vissers van de wal naar hun boot peddelden. Het waaide hard en het regende, soms stopte het opeens met regenen om vervolgens alle sluizen weer open te zetten, een echte regenbui van deze landen, het koelde niet af door de regen.

Alle vissersboten hadden een blauwe kleur, dezelfde kleur als het water omdat ze geloofden dat de vissen hun boot dan niet zouden opmerken. De kleinere vissersboten voeren ’s avonds uit en kwamen ’s morgens terug in de haven, zij visten gedurende 1 nacht. De grote vissersboten bleven een maand weg en visten in de zone tussen Taiwan en China. De god van de vissers is de walvis, de grootste vis op aarde.

We gingen ook een kijkje nemen aan de visafslag waar de gevangen vis gesorteerd, schoongemaakt en vervoerd werd naar de afnemers. De afval werd op een hoop gegooid en ik vond het afgrijselijk om een vrouw te zien die op haar hurken zat te zoeken tussen het afval naar een stukje vis dat nog eetbaar was. Dus ook in Vietnam waren nog mensen met als enige zorg proberen te overleven.

Toen we Nha Trang binnenreden, stopten we aan de Cham Torens van Po Nagar. Deze torens werden gebouwd tussen de 7e en 12 e eeuw maar van de oorspronkelijke 8 torens waren er maar 4 overgebleven. De torens hadden nog altijd een religieuze betekenis en bij het binnen treden moesten we ook hier onze schoenen uittrekken.

Rond 17u kwamen we aan in het Oriole Hotel, gelegen in de backpackers zone. Hier hadden ze 20 kamers, 12 standaard, 4 superior en 4 deluxe. Volgens de afbeelding in de brochure hadden wij een superior met een groot en een klein bed. Toen ik bij Hanny en Adrie ging kijken, was er wel een duidelijk verschil, zij hadden een standaard en die was heel wat kleiner.

’s Avonds gingen we op zoek nar Truc Linh 2 Restaurant, ook vermeld in de Lonely Planet. Het lag niet ver van het hotel en het was een echte aanrader. Je kon er kreeft eten die voor je ogen uit het aquarium werd genomen en op de weegschaal gelegd. Mijn chowmein met zeevruchten groenten leek net een groot vogelnest door de gefrituurde noedels maar het was verdorie lekker. Op dat moment namen we het besluit om ons een kleine zakcamera aan te schaffen. Onze twee dure camera’s namen we nooit mee ’s avonds uit veiligheidsoverwegingen maar soms heb je dan dingen die je wil fotograferen maar dan heb je geen camera bij de hand.

Na een tijdje kwamen ook Coen en Marscha, Raimond, Marc en Marcel het restaurant binnen. Marc zag mijn chowmein en bestelde hetzelfde.

Weer lagen we om 21u30 al in bed.

 

Dag 13: woensdag 18 november – Nha Trang

We hadden vrij maar het ontbijt werd maar geserveerd tot 9u. We konden natuurlijk ook het ontbijt laten voor wat het was maar ja, ondanks alles waren we toch alweer vroeg wakker en gingen dus maar ontbijten.

Daarna liepen we naar de Long Son Pagode. We waren nog maar pas vertrokken of het begon een paar druppels te regenen. Jill had gezegd dat het ook vandaag zou regenen maar toch hadden we onze regenjassen achtergelaten in het hotel want we zagen het in feite niet zitten om een regenjas aan te hebben bij een temperatuur van ongeveer 30 graden celsius. De hevige regenbuien van gisteren nog in onze gedachten deed ons toch besluiten om in een winkeltje een regenponcho aan te schaffen, 2 poncho’s gemaakt uit degelijk plastiek en dat voor amper 3 euro, daar konden we het niet voor laten. Maar……..de hele verder dag hebben we geen druppel regen meer gehad en het werd snikheet. Volgens mij zou Jill zeker niet aangenomen worden bij de weerdienst van het plaatselijke televisiestation.

Voor de  Long Son Pagode moesten we een heel eindje lopen maar dat vonden wij leuk. Niet vanuit een taxi zag je de meeste dingen maar door gewoon in de straten te lopen en zo zagen wij de meest vreemde zaken gebeuren op de rand van het voetpad zoals kappers met hun kappersstoel, druk bezig met het scheren van hun mannelijke klanten of het kappen van het haar van hun vrouwelijke klanten, een hele rij dames en heren achter hun naaimachines bezig met de nodige reparaties uit te voeren aan allerlei soorten kleding, een bromfiets die men aan het herstellen was binnen in een kledingwinkel. In een straat waren ze de rijweg aan het verbreden en bijna alles gebeurde met de hand ook het boetseren en aandrukken van de gewelfde rand van het voetpad. De mannen zaten op hun hurken zoals ze heel goed kunnen in deze Aziatische landen en eigenlijk ging alles vrij snel en goed. Het eindresultaat mocht gezien worden. Enkel het plat walsen van de laatste laag asfalt gebeurde met een machine.

We stonden aan een kruispunt op het stadsplan te kijken omdat we twijfelden of we de pagode nu al voorbij gelopen waren of dat deze nog een eindje verder weg lag toen al onmiddellijk een man naar ons toe kwam om te kijken waar we heen wilden en ons vervolgens de weg te wijzen. Weer één en al vriendelijk en behulpzaam, het verwonderde ons nog steeds.

De Long Son Pagode uit de 19e eeuw was een echt juweeltje. De ingang en het dak waren versierd met draken in mozaïek en keramiek en het hoofdgebouw was binnenin prachtig met vooraan de afbeelding van Shiva en achteraan een Boeddha die nu eens niet achter glas stond zoals in heel wat andere tempels of pagodes. Rechts van het gebouw waren 152 trappen die ons naar boven leidden naar een reusachtige witte Boeddha van 14 meter hoog op de heuveltop waar we een prachtig uitzicht hadden over de omgeving. Aan de achterkant konden we binnen in de Boeddha waar ook een offerplaats was met mooie boeddhistische reliëfafbeeldingen van monniken op de muren. Halfweg de trap kwamen we aan een liggende, witte Boeddha, ook wel een imposant beeld.

Langs de trap zaten talrijke verkoopsters van wierookstokjes maar zij deden zelfs geen enkele poging om ze aan ons te verkopen. Neen, zij hielden het gemakkelijk en staken gewoon hun punthoed uit om te bedelen waaraan we uiteraard geen gevolg gaven.

Langs de andere kant van het dorp liepen we naar het strand waar er een stevige wind stond en er dus ook de nodige maar niet echt spectaculaire  golven waren die toch wel een mooi zicht opleverden. Heel wat verkoopsters met boeken, juwelen, zijdeschilderijen, koekjes, sigaretten, zonnebrillen en zelfs stukken kreeft vielen ons lastig en bleven aandringen. We gingen aan een bar aan het strand een Saigon bier drinken, twee halve liters en 80 eurocent voor de twee. We genoten van ons biertje en zeiden telkens heel beleefd en vriendelijk “no, thank you” tegen de horden verkoopsters die de moed niet lieten zakken.

Daarna gingen we in restaurant Good Morning Vietnam een pizza eten. Good Morning Vietnam was een keten van restaurants en in elke plaats had je wel zo een restaurant van deze naam. Het was Italiaans getint en de pizza was dus ook uitstekend. Daarna gingen we wat relaxen op onze kamer want zo groot was het dorp niet en er was ook niet zoveel spectaculairs te zien plus het feit dat wij helemaal geen strandliggers waren.

’s Avonds gingen we eten in Le Petit Bistrot, een restaurant met Franse menukaart. Het stond ook in de Lonely Planet vermeld als “our pick” en het was dus ook een echte aanrader. We aten er tournedos, waarbij we konden kiezen uit 4 verschillende bereidingswijzen van een beetje tot goed gebakken en 4 soorten sauzen. We kozen allebei de zwarte pepersaus en de tournedos werd opgediend met frietjes, groene boontjes en tomaat uit de oven. We kregen er ook stukjes stokbrood bij, het was heel erg lekker en eens iets anders dan de gebruikelijke rijst of noedels.

In een winkel kochten we een fles rode Dalat wijn die we wel eens wilden proeven. Ook Franse wijnen waren hier te koop maar waarom zou je hier Franse wijn drinken die daarbij ook heel wat duurder was? Op onze kamer maakten we dus de fles wijn soldaat die er best mocht zijn.

 

 

 

 

Dag 14: donderdag 19 november – Nha Trang – Dalat

Om 8u vertrokken we richting Dalat. Het ontbijt in dit hotel stelde niet zoveel voor dus daar moesten we dan ook niet zoveel tijd aan besteden en dat was ook weer meegenomen zo vroeg op de morgen.

We waren nog maar net op weg of het begon te regenen, en dan bedoel ik hard regenen, maar gelukkig zaten we droog in de bus. Volgens Vinh mochten we hoe dan ook niet klagen want terwijl wij in midden Vietnam zaten, was het in Sapa, in het uiterste noorden al bar koud, min 3 graden. Brrr, berekoud, daar mochten we zelfs niet aan denken!

Vanuit de bus hadden we al verschillende keren de verkeerslichten in het oog gehouden. Hier had je alleen groen en rood, geen oranje zoals bij ons en in feite was dit een beter systeem want naast het licht was er een teller die aftelde van 30 naar 0 of bij een niet zo drukke weg van 15 naar 0 en op die manier kon je als chauffeur perfect inschatten wanneer het licht zou overslaan. Een ideetje voor onze regering (?) maar ik denk dat dit te simpel zou zijn voor alle ingewikkelde en absurde ideeën waar onze ministers steeds mee aankwamen.

In midden Vietnam in de provincie Phan Rang was het rijstseizoen in volle gang en we zagen dan ook eindeloze rijstvelden waar de rijst volop groeide dit in tegenstelling tot het noorden waar de velden leeg stonden. Hoe kon eenzelfde land toch zo veelzijdig zijn? Wij als inwoners van een klein land als België konden het ons moeilijk voorstellen.

In Vietnam had je 3 bevolkingsgroepen , de Vietnamezen, de Chinezen en de Cham. Midden Vietnam was de streek van de Cham en Vinh vertelde dat er toch een aantal verschillen waren tussen de Cham en de Vietnamese bevolking. Rond de huizen van de Vietnamezen stonden hoge bomen, deze dienden om toch een beetje schaduw te hebben rond het huis. De huizen van de Cham stonden midden tussen de rijstvelden zonder hoge bomen eromheen, soms enkel een paar bananenbomen. De Cham geloofden dat het kwade schuilde in hoge bomen en daarom wilden ze die niet rond hun huis. Hun huizen waren ook allemaal naar het zuiden gericht, niet naar het noorden, en dit was ook om het kwade af te zweren.

Bij de Cham was de vrouw de baas in huis en zij nam alle beslissingen. De dochter erfde alles dit in tegenstelling tot de zoon die niets erfde. Een vrouw kon ook 2 à 3 mannen hebben. Wanneer de oudste en volgende dochters trouwden, bouwden ze zelf een huis maar de jongste dochter bleef bij het huwelijk met haar man bij haar familie wonen. De jongen die huwde, verliet dus zijn familie om bij de familie van het meisje te gaan wonen. Dit was bij de Vietnamese bevolking dus anders want daar ging het meisje bij de familie van de jongen wonen.

De kleding van de Cham bestond bij de mannen uit een wit t-shirt met lange mouwen, vrouwen droegen ook een t-shirt met lange mouwen maar dan in kleur.

Onderweg hadden we een klein oponthoud, er was een boom over de weg gevallen en er werd met man en macht gewerkt om de boom in stukken te zagen en de takken weg te slepen. Er stonden heel wat mensen te kijken want blijkbaar was dit wel een hele belevenis. Het zagen en wegslepen gebeurde efficiënt en we konden al vlug verder rijden.

We bezochten de Po Klong Garai Cham Torens, 4 stenen torens uit de 13e eeuw op een met cactussen begroeide heuvel. Bij de grootste toren stond boven de ingang een afbeelding van Shiva met 6 armen en binnen stond de stier Nandin, het rijdier van Shiva.

We luchten onderweg en reden door naar Ngoam Muc Pass op 1000 meter hoogte waar je de oceaan kon zien bij helder weer maar zoals we al verschillende keren meegemaakt hadden op eerdere reizen……..ja inderdaad, er was niets te zien toen wij er waren.

Deze morgen hadden we trouwens voor de laatste keer de oceaan gezien want we gingen de bergen en het binnenland in, vertelde Vinh. Daar wilde ik op dat moment even niet verder over nadenken want deze mededeling hield ook in dat er een hoofdstuk van onze fantastische reis afgesloten werd. Er zouden er waarschijnlijk nog vele mooie volgen maar toch….

De streek rond Dalat kenmerkte zich door veel groen, theeplantages, koffieplantages en velden waar men groenten verbouwde. In deze streek werden de groenten niet besproeid met chemische producten zoals pesticiden. Dalat moest zijn inkomsten halen uit de landbouw en het toerisme. Vietnamezen uit het warme zuiden kwamen naar het koelere Dalat, gelegen op 1500 meter hoogte, voor vakantie en het was ook de favoriete bestemming van pasgehuwden op hun huwelijksreis. De temperatuur bedroeg hier minimum 15 graden en maximum 27 graden. Die 27 graden was voor ons al een mooie temperatuur en hier noemden ze dat koel?

Vinh raadde ons af om in een restaurant wild te eten. Jagers gingen hier jagen gedurende een hele week en daarbij begroeven zij elke dag hun buit om deze na een week terug op te graven en terug te keren naar Dalat. Heel hygiënisch en vers zou het wild hier dan ook niet zijn.

We stopten bij de Linh Phuoc Pagode gebouwd tussen 1949 en 1952 met een dak van 7 verdiepingen, een enorme klok van 8,5 ton zwaar, reusachtige draken, een 5 meter hoge Boeddha met een groot neon licht rond het hoofd, heel erg kitsch maar toch erg mooi en versieringen in kleine mozaïeksteentjes. Het geheel deed een beetje denken aan de stijl van Gaúdi in Barcelona. Maar al bij al was dit een heel leuke stop. In de pagode liep een kleine jongen rond. Vinh vertelde dat deze kinderen of wezen of de kinderen waren van ongehuwde moeders die moesten denken aan hun reputatie en dus hun kind afstonden aan de monniken. Deze kinderen groeiden op tussen de monniken en op 18 jarige leeftijd hadden zij de keuze tussen terugkeren naar het gewone leven of bij de monniken blijven.

We reden nog naar Bao Dai’s zomerpaleis maar dit was al dicht en van buiten de poort had je geen mooi uitzicht op het huis. Jill liet vol trots de foto zien die ze gemaakt had van het reclamebord aan de poort. Het toonde het zomerpaleis met een mooie blauwe lucht maar dat vonden we niets. Als je het paleis niet gezien had, dan moest je daar ook geen foto van hebben.

Rond 17u30 waren we in Thang Loi 1 Hotel, of het Golf 2 Hotel, zoals je het wil noemen. De groep ging een wandeling maken maar zoals gebruikelijk gingen wij onze eigen weg. We liepen dus naar de markt, weliswaar met een omweg omdat we de verkeerde kant uitliepen, maar zulke dingen vonden we leuk dus waarom ons zorgen maken, we bereikten tenslotte na een tijd de markt en dat was de bedoeling. In de Truong Cong Ding straat gingen we eten in restaurant Da Qui, weer een restaurant dat vermeld stond in de Lonely Planet. Op de duur denk ik dat het afgezaagd lijkt, altijd die Lonely Planet, maar dat was voor ons de bijbel van het reizen en daar hebben we altijd al goeie ervaringen mee gehad en dus bleven we er maar gebruik van maken. We aten er sweet en sour chicken en shrimps en samen met het bier dat we dronken, betaalden we terug ongeveer 9 euro.

Toen we terug liepen naar het hotel, leek het verkeer ons vrij druk. Er was ook een overdekte en een niet overdekte markt maar die zouden we de volgende dag wel verkennen.

 

Dag 15: vrijdag 20 november – Dalat

De hele groep ging achterop de bromfietsen van de Easy Riders de streek verkennen. We hadden er geen zin in om zo een trip te maken met 20 personen en dus gingen we alleen, te voet, met het doel de dingen te zien die we graag wilden zien.

Het ontbijt was een complete ramp en om 9u liepen we het hotel uit. Eerste stop was het Hang Nga Crazy House dat meer dan bizar was en terug een beetje op de stijl leek van Gaúdi, moeilijk te beschrijven met spinnenwebben uit gevlochten draden, bizarre bruggetjes van de ene kamer naar de andere, grillige constructies in de vorm van grotten en uitstulpingen. Volgens de reisgids moest je dit huis echt bezoeken als je in Dalat was en daar hebben ze gelijk in. Je moest het echt gezien hebben.

Daarna liepen we naar de Lam Ty Ni Pagode maar jammer genoeg was deze gesloten en konden we alleen een foto nemen aan de buitenkant van het hek.

Terwijl we de kant van het Xuan Huong meer opliepen, begon het te regenen maar geen nood want we hadden onze splinternieuwe Vietnamese poncho bij ons. Het was een goeie bui die al vlug weer stopte en verder bleef het de hele dag droog.

Langs de boorden van het meer liepen we naar de oostzijde en verder naar het Crémaillière treinstation, een mooie stationsgebouw in Art Deco. Na 1964 werd het spoor gesloten door de Amerikaanse aanvallen. Er stond nog een oude Japanse stoomtrein op de sporen en er was terug een trouwreportage aan de gang. Een Nederlands echtpaar stond te wachten op drie andere gegadigden voor een treinrit naar de Linh Phuoc pagode die we de dag voordien hadden bezocht. De trein reed maar vanaf 5 deelnemers en dus gaven we hen de raad om een taxi te nemen want er waren hier weinig toeristen en de pagode was toch wel de moeite om te bezichtigen.

Daarna liepen we het meer rond langs de Dalat bloementuin maar we hadden geen zin om hier naar binnen te gaan omdat we in andere landen ook al botanische tuinen bezocht hadden. Langs het gigantische golfterrein en de universiteit van Dalat liepen we naar de Linh Son Pagode. Aan een rotonde zagen we een wegwijzer die ons langs een achterafstraatje leidde. Het grote geluk hier in dit land was dat veel mensen bereid waren om je de weg te wijzen, met een minimum aan Engels want de meesten hier spraken geen Engels, alleen Vietnamees en dat was dan weer een probleem voor ons. Ook als je zelf niets vroeg en ze zagen dat je twijfelde met een stadsplan in de hand kwam men meteen op je af om te vragen waar je heen wilde.

Uiteindelijk wees een man ons de juiste weg en konden we de pagode bezichtigen die gebouwd was op een kleine heuvel en een mengsel was van Franse en Chinese architectuur.

Na dit bezoek liepen we naar beneden maar het stadsplan was niet zo duidelijk omdat de stad in verschillende niveaus tegen de heuvel was opgebouwd. Bovendien hadden we ondertussen grote dorst en we stapten Art Café binnen. Buiten stond een groot bord “recommended by Lonely Planet” maar binnen zaten vier personen aan de computer, niemand verstond Engels en niemand deed blijkbaar moeite om ons dan toch te bedienen. Dus liepen wij terug naar buiten en in café Goc Pho gingen we een ijskoud Saigon biertje drinken. Na deze welkome verfrissing liepen we naar de markt en hebben we daar wat rondgeslenterd. We wilden op het dakterras van La Tulipe, waar men een mooi uitzicht had over de markt, iets gaan drinken maar dit kon niet want men was er aan het werk. Dus maar een ander dranktentje opgezocht. Aan een tafeltje naast ons zat een oude vrouw door kaartlegging de toekomst te voorspellen van een andere vrouw. Zij moest er 10.000 Dong voor betalen, een goeie 40 eurocent, hopelijk heeft het vrouwtje haar een mooie toekomst voorspeld want we verstonden er uiteraard niets van. Van een meisje kochten we een zijdeschilderijtje in zwart-wit, het zal wel geen echte zijde geweest zijn maar ik vond het leuk en dat was tenslotte wat telde. Kostprijs 30.000 Dong, voor die prijs had ik ook drie keer mijn toekomst kunnen laten voorspellen.

In deze stad viel het ons op dat hier bitter weinig toeristen waren, gedurende deze hele dag waren we welgeteld 8 toeristen tegen gekomen, 2 Nederlanders aan het treinstation, 3 Engelsen aan de eerste pagode en 3 Duitsers aan de tweede pagode. Waarschijnlijk waren er wel meerdere Vietnamese toeristen uit Saigon maar daar hadden we geen kijk op. Met toeristen bedoelden wij westerse toeristen.

Het uiterlijk van sommige inwoners hier was wel anders dan de gewone Vietnamees, het was meer Tibetaans of zelfs Indiaans. Achteraf vertelde VInh dat het om de minderheden van het centrale hoogland ging. Veel van deze mensen leefden in valleien of op de heuvel in paalwoningen waarbij de mensen zelf op de eerste verdieping woonden in eenzelfde ruimte en de benedenverdieping bestemd was voor het vee zoals buffalo’s en kippen. Deze mensen waren wel puurder en meer authentiek en niet zo gewend aan toeristen.

Na een verkwikkende douche en een tijdje relaxen op onze hotelkamer gingen we eten in Long Hoa restaurant, niet ver van de markt, heel lekker en weer spotgoedkoop.

We kropen al om 21u in bed, moe van het vele wandelen en er wachtte ons de volgende dag een lange reisdag.

 

Dag 16: zaterdag 21 november – Dalat – Saigon

We vertrokken een uurtje vroeger dan normaal, om 7u in plaats van 8u, omdat de weg naar Saigon heel slecht was door de tyfoon van twee weken geleden.

Toen iedereen om 6u aan het ontbijt zat, was er nog niets te bekennen en het duurde een tijdje eer het brood op het buffet stond. Een paar mensen waaronder ikzelf waren al begonnen met het Vietnamese ontbijt n.l. gebakken rijst maar om eerlijk te zijn, moest ik toegeven dat gebakken rijst om 6u ’s morgens niet zo echt smaakt. Uiteindelijk kwam er dan toch brood en omdat er verder weinig keuze was buiten een omelet en wat fruit hadden we vlug gedaan met eten.

Rond 9u30 stopten we aan een theeplantage waarvan de struiken heel wat kleiner waren dan degene die we gezien hadden in Indonesië. Hier waren bovendien geen theepluksters aan het werk.

Twee uur later hadden we een koffiestop aan een koffieplantage. Van de plantage hebben we niets gezien maar er werd gratis koffie geserveerd. De plaatselijke bevolking dronk hun koffie zoals gewoonlijk met een heleboel ijs, voor ons werd er heet water bijgegoten. Nog steeds had de koffie die rare cacaosmaak en ik vond hem niet te drinken. Gelukkig hadden we een dompelaartje bij en daarmee konden we met de meegebrachte Nescafé uit België toch een koffie maken op de kamer in de hotels. Het smaakte niet zoals onze koffie thuis maar het was in elk geval beter dan de plaatselijke koffie.

Onderweg zagen we terug een paar trouwfeesten. Vinh vertelde dat november en december dé trouwmaanden bij uitstek waren. Aan het eind van het jaar had men hier twee weken vakantie en dan maakte men ook van de gelegenheid gebruik om op huwelijksreis te gaan. Wanneer een paar wilde trouwen, deden ze eerst een registratieaanvraag bij de regering. Na 3 tot 6 maanden na de aanvraag vond dan het huwelijk plaats. De ouders kozen een geschikte dag en een goede tijd uit om het huwelijk te laten plaats vinden en de jongen moest alle kosten van het huwelijk betalen plus de juwelen voor de bruid. Huwelijken vonden meestal plaats op zaterdag of zondag omdat iedereen dan vrij was om naar het feest te komen. Bij elk huwelijk vonden twee feesten plaats. Het ene feest was voor de familie van de vrouw om vaarwel te zeggen want na het huwelijk ging de vrouw bij de familie van de man wonen. Het tweede feest was voor de familie van de man om een zogezegd “hallo” te zeggen want de bruid ging dan bij deze familie wonen. Een huwelijk was niet goedkoop maar er werden dan ook heel veel gasten gevraagd waaronder familie, vrienden en kennissen. Op elk feest stonden tafels voor 10 personen en zo ging het soms over 30, 40 of 50 tafels zodat er soms 500 mensen aanwezig waren op één feest. Per tafel kostte het 80 dollar als men het feest thuis organiseerde en 120 dollar als het in een restaurant gebeurde. Als geschenk werd aan het bruidspaar meestal geld gegeven.

We lunchten in een wegrestaurant aan de rivier en na weer een uurtje bus maakten we een kleine wandeling over een brug met zicht op drijvende dorpjes. Hier woonden ongeveer 200 families in huizen op het water. In 1978 na de oorlog kwamen zij vanuit Cambodja, waar zij ook in zulke huizen geleefd hadden, terug naar Vietnam. Bij hun terugkeer hadden zij geen geld om een gewoon huis te kopen en dus leefden zij ook hier weer in huizen op het water. Bij een eventuele tyfoon verplaatsten zij gewoonweg hun huizen om veilig te zijn. Bij extreem hoge waterstand dreven zij naar de kant en bij extreem lage waterstand verplaatsten zij de huizen naar het midden van de rivier.

We stopten na een tijdje aan een rubberplantage. Vietnam produceerde jaarlijks 100 miljoen rubber en dat werd hoofdzakelijk geëxporteerd naar China. Vanaf de ouderdom van 3 jaar kon een boom rubber produceren en dit gedurende 28 jaar. Met een scherp mes maakte men inkervingen in de boom en het rubber werd verzameld in een bakje dat aan de boom hing. Bij oude bomen die minder rubber produceerden, werden de inkervingen hoger in de stam gemaakt. Rubberplantages kwamen alleen voor in het zuiden, niet in het noorden of midden.

Onderweg zagen we ook heel veel katholieke kerken en op sommige dakterrassen stond een groot beeld van Maria of Jezus. Normaal gezien was in Vietnam 70 % boeddhistisch, 20 % katholiek en de overige 10 % was verdeeld tussen cao dai, moslims en Hindus. Maar misschien waren er meer katholieken in het zuiden dan in het noorden?

Het was geen sinecure om Saigon of Ho Chi Minh City binnen te rijden. We dachten dat het spitsuur was maar na twee dagen in Saigon zouden we tot de conclusie komen dat het hier elk moment van de dag spitsuur was en telkens extreem druk. In de stad woonden 8 miljoen mensen en volgens mij hadden ze allemaal een bromfiets en reden ze er op dat moment ook allemaal mee rond. Man wat een herrie, druk, druk, druk. Veel lawaai en getoeter. Hanoi was al druk geweest maar hier was het nog tien maal slechter.

We logeerden in Van Lang Hotel in de Hai Ba Trung Street. Het lag niet direct in het centrum en dat hadden we liever anders gehad maar het was nu niet anders. Voor de hoofdstad vonden we het een heel simpel hotelletje maar tenslotte waren we alleen in het hotel om te slapen dus maakten we er ons ook geen verdere zorgen over.

In de Lonely Planet had ik al vlug een restaurant gevonden dat niet al te ver lopen was van het hotel. Veel keuze hadden we niet aangezien het hotel niet centraal gelegen was en we hadden geen zin om een taxi te nemen. We aten dus in restaurant l’Etoile, een Frans restaurant en het was weer lekker.

Op de terugweg vonden we een kleine supermarkt waar we water, bier, koekjes en sigaretten kochten. We lagen nu eens niet zo vroeg in bed maar dat maakte niets uit want de volgende dag hadden we een vrije dag om Saigon te verkennen.

 

Dag 17: zondag 22 november – Saigon

Een deel van de groep ging een cyclotoer maken naar de Chinese wijk, het andere deel waaronder wij, wilden gewoon de stad verkennen.

Met ons tweetjes startten we onze stadstoer door een taxi te nemen naar het War Remnants Museum. We waren geen museumliefhebbers maar dit was toch wel indrukwekkend met ontelbare foto’s van de oorlog en de oorlogsslachtoffers, ook foto’s van de gevolgen en de verminkte mensen van Agent Orange, de gifbommen die de Amerikanen volop gedropt hadden. Er waren vitrines met geweren en mitrailleurs en buiten het gebouw stonden tanks, vliegtuigen, helikopters, bommen en tijgerkooien. Het was een museum dat toch weer een zekere indruk achterliet.

We liepen het blokje om naar het Reunification Palace, het vroegere paleis van de president Ngo Dinh Diem en een belangrijk gebouw in Saigon. Alles was gebleven zoals het was op 30 april 1975 toen er een eind kwam aan het Zuid-Vietnamese bewind. Er waren zalen en kamers waar de president zijn delegaties ontving, ook de voormalige cinemazaal waar men achter de schermen de antieke projectoren kon zien en in  de kelders was het vroegere telecommunicatiecentrum met telex.

Met het stadsplan in de hand liepen we naar de kathedraal en het hoofdpostkantoor dat gebouwd werd in 1781. Een mooi gebouw met gietijzeren spanten en een immense foto van Ho Chi Minh. In het postgebouw kwamen we Diana en Koos en Rie terug tegen, we hadden hen eerder gezien in het paleis en zij deden ongeveer hetzelfde rondje Saigon als wij.

Daarna liepen we naar het stadhuis, nog steeds Hôtel de Ville genoemd, naar Frans voorbeeld, een prachtig koloniaal gebouw met zachtgele muren. Aan het plein bij het stadhuis was het Rex Hotel, een sjiek hotel met een indrukwekkende receptie. Toen wij in de lift wilden stappen om op het dakterras een biertje te drinken, kwamen Diana en Koos en Rie eruit, zij waren op het dakterras gaan kijken naar het uitzicht. Volgens hen was het niet spectaculair maar dat wilden we met eigen ogen zien. Het zicht was inderdaad niet echt groots maar toch bleven we er zitten en dronken ons dure biertje. Beneden aan het plein zagen we Coen en Marscha staan die ook het rondje Saigon deden.

Daarna liepen we naar de Ben Than Markt waar werkelijk alles te koop was, in een nauw labyrint van smalle gangen, van levensmiddelen tot souvenirs, kleding, schoenen, vlees en groenten en allerlei prullen en rotzooi. Er waren ook eetstalletjes waar de lokale bevolking een hapje kon eten. We hadden er echter al gauw genoeg van om in deze smalle gangen rond te lopen en liepen naar de Sri Mariamman Hindoetempel waar we geen foto’s mochten nemen.

Niet ver daarvandaan was de Xa Loi Pagode. We liepen de poort van de pagode binnen en kwamen op een klein binnenplein maar we hadden niet onmiddellijk door dat we de trappen moesten op lopen om de eigenlijke pagode te zien. Toen we de verkeerde kant uitliepen, werden we de juiste weg getoond door een aantal mannen die op het binnenplein zaten. Binnen in de pagode was een groepje scouts bezig met zingen en gebeden opdragen. Buiten stonden hun schoenen in nette rijen opgesteld en bovenop de schoenen lagen hun kleine rugzakjes en hoeden. Een mooi zicht, die strakke netheid en orde.

Daarna liepen we de Dien Bien Phu street af. Ook hier weer was het een gigantisch krioelen van bromfietsen en auto’s, ook hier weer was het belangrijk om gas te geven en je overal tussen te wringen. Zoals in heel Vietnam zagen we ook hier weer dat vrouwen meestal lange mouwen en een mondmasker of sjaal droegen bij het besturen van, of meerijden op een bromfiets. Dit deden ze om hun witte huid te beschermen tegen de zon want een witte huid in deze landen was in.

Wat ons ook opviel in deze stad waren de dikke kinderen en ook wel volwassenen. In het noorden en midden van Vietnam was iedereen slank en tenger maar hier had je van die echt dikke kinderen die we ook in China gezien hadden door de één-kind politiek. Daar werd het enige kind zodanig verwend en vetgemest dat het niet mooi meer was. Wat hier de oorzaak was, weet ik niet maar sommige kinderen waren echt vet.

We liepen naar de Jade Emperor pagode of Chua Ngoc Hoang. In onze reisgids werd het beschreven als één van de meest spectaculaire pagodes van de stad maar daar waren we het niet echt mee eens.

Tijdens het teruglopen naar het hotel kwamen we een pagode tegen die niet op het stadsplan vermeld stond n.l. de Saint Tran Hung Dao Temple aan het Le Van Tam Park maar binnenin was alles in het plastiek gewikkeld, alle beelden, alle zuilen, misschien tegen het vuil worden, maar het geheel vormde niet zo een mooi zicht en dus wandelden we ook al vlug weer terug naar buiten.

Rond 16u30 waren we terug in het hotel, doodop want buiten de taxi deze morgen, hadden we weer alles te voet gedaan. Moesten we op het eind van deze reis een totaalbeeld kunnen krijgen van de gelopen kilometers, dan denk ik dat we zouden verbaasd zijn hoeveel we er in dit land afgelegd hadden.

Voor de tweede keer deze dag namen we een douche want alles wat je droeg, plakte aan je lichaam van het zweet. ’s Avonds liepen we het hotel uit naar rechts maar aangezien we hier niet direct in het centrum zaten, waren hier ook weinig restaurants. Rechtover restaurant l’Etoile was een Vietnamees restaurant maar daar zat niemand en onze ervaringen hadden ons altijd geleerd dat een restaurant waar geen volk zat niet echt aan te raden was. Omdat we vandaag al zoveel gelopen hadden, hadden we geen zin in nog verder lopen en dus gingen we terug eten in l’Etoile. De dag ervoor zaten we op het terras en nu gingen we naar binnen wat achteraf niet zo een goede keuze bleek want er was hier airco maar ook een ventilator en op de duur werd het er koud. In het restaurant zaten veel Vietnamezen maar die hadden er blijkbaar geen last van. Rond 22u lagen we in bed.

 

Dag 18: maandag 23 november – Saigon – excursie Cu Chi en Tay Ninh

Om 6u zaten we aan het ontbijt en iedereen was op dit onmenselijk vroege uur heel stilletjes en iedereen geeuwde voluit. Om 7u stapten we op de bus die ons naar de Cu Chi Tunnels en Tay Ninh zou brengen. Het duurde wel een hele tijd eer we de stad uit waren vanwege het erg drukke verkeer.

Bij het gebied waar de tunnels waren, kregen we eerst een uitleg van Vinh waarbij hij op een kaart toonde in welk gebied de tunnels zich bevonden. Het was een ingenieus netwerk van 250 km aan tunnels, gebouwd over een tijdspanne van 20 jaar. In eerste instantie wisten de Amerikanen niet dat er zulk een tunnelcomplex bestond terwijl het complex zelfs onder een grote Amerikaanse basis doorliep. En toen ze het wel wisten en probeerden de tunnels binnen te dringen, werden ze door allerhande boobytraps tegengehouden. Alleen de kleinere Amerikanen zagen kans om de tunnels binnen te dringen want die waren gemaakt op maat van de Vietcong. Het tunnelcomplex bestond uit 3 etages, de eerste bevond zich op 3 meter onder de grond, de tweede op 6 meter en de derde op 8 à 10 meter. Op de eerste etage gebeurde alles zoals koken, slapen, eten en de andere etages werden gebruikt om zich te verbergen bij eventuele aanvallen. De rook van de keukens werd vergaard in aparte vakken en stelselmatig vrijgelaten ver van de plaats waar men kookte. De verse lucht werd aangevoerd door ventilatieschachten waarrond men peper strooide om speurhonden van de wijs te brengen.

We zagen een originele ingang van de tunnels en dat was krap, heel krap. We konden ook zelf de tunnels in, het eerste stuk was verbreed en verhoogd voor de westerse toeristen (1 m hoog en 80 cm breed). Bijna gans de groep ging erin en de meesten vonden het al krap, het was er heel warm en stikkedonker. Martin, de man met 2,08 lengte, kwam al gauw vast te zitten maar zag toch kans om er zich door te wurmen tot het einde van het eerste gedeelte.

De liefhebbers konden nog een stuk verder gaan maar dan in de originele tunnels die amper 80 cm hoog waren. Het was een claustrofobische ervaring en dan te denken dat de Vietcong gewoonweg jarenlang leefden in die tunnels.

Op het terrein zagen we kraters van bommen, we zagen de ventilatieschachten en we konden tapioca proeven, het gangbare maal van de Vietcong want voedselbevoorrading was uiteraard schaars.

Een Vietnamees gaf een demonstratie hoe de Vietcong aan schoenen geraakte, deze sandalen werden vervaardigd uit oude autobanden en volgens Vinh waren ze stukken beter dan Adidas of Nike want deze gingen 50 jaar mee en waren onverslijtbaar.

We kregen ook demonstraties van de verschillende boobytraps die de Vietcong gebruikten om indringers af te weren, alles bedoeld om afgrijselijke verwondingen aan te brengen.

Na dit bezoek reden we naar het dorp Tay Ninh waar de Than That Cao Dai tempel stond. Cao Dai was een religie, een beetje een mix van andere godsdiensten, sommigen noemden het een sekte, en het kwam alleen in deze streek voor. Cao Dai was in 1927 erkend als officiële godsdienst in Vietnam. De tempel was meer dan opmerkelijk, niet alleen aan de buitenkant maar ook binnenin. Je wist niet echt wat je zag, was het een sprookje of gezichtsverbeelding? Er was veel kleur en overdaad, reusachtige pilaren met afbeeldingen van draken eromheen gewikkeld, mozaïekvloeren in verschillende designs en overal aanwezig, het alziende oog van God.

De verschillende kleuren van kleding van de gelovigen was een symbool van het geloof van de betrokkene. De Cao Dai hadden 4 ceremonies per dag, om 6u, om 12u, 18u en 24u. De meeste toeristen bezochten de ceremonie van 12u en het was geen probleem om te fotograferen hoewel men normaal gezien geen personen mocht fotograferen bij dit geloof. Integendeel, sommige begeleiders toonden ons waar de beste plaatsen waren om foto’s te nemen.  Bij de aanvang van de dienst waren er gescheiden ingangen voor vrouwen en mannen maar alle toeristen werden naar een balkon geleid waar men een mooi zicht had op het gebeuren dat echter op de duur vrij eentonig werd, een soort monotone mantra die al gauw verveelde.

Toen de dienst na een uur afgelopen was, stonden we al allemaal buiten te kijken en het was opmerkelijk om die mensen in hun gekleurde lange gewaden op de fiets of bromfiets naar huis te zien rijden. De magie van het hele gebeuren zonk algauw in het niet bij die alledaagse bezigheid.

Na dit bezoek aan de tempel gingen we lunchen en reden terug naar Saigon waar het terug een hele tijd duurde om de stad binnen te rijden. Het was opmerkelijk maar op elk uur van de dag was het verkeer waanzinnig druk. Als het licht op rood sloeg, reden toch nog een aantal bromfietsers door terwijl aan de andere kant al een volgende stroom die groen licht hadden op gang kwam. Bromfietsers zochten soms een uitweg langs het voetpad, als dit al vrij was want meestal stonden daar een hele horde bromfietsers geparkeerd. Overal stonden wachters want iedereen moest betalen voor het parkeren. Je kreeg een nummer en de andere kant van het strookje werd aan de spiegel bevestigd zodat je alleen je eigen bromfiets kon meenemen.

’s Avonds gingen we eten in Tib restaurant, de beef van Freddy was goed maar mijn kip met lemongrass en pepper was minder. De kip was in duizend stukken gehakt met de benen en het vel bij. Het was een beetje op zijn Chinees en het leek nergens op.

 

Dag 19: dinsdag 24 november – Saigon – Can Tho

Deze morgen was het even schrikken want Diana vertelde dat men gisterenavond haar camera had gestolen. Zij liep samen met een paar mensen van onze groep aan de rand van het park en een man op een bromfiets trok de camera van haar nek, gaf gas en verdween met alles, inclusief de geheugenkaart met alle foto’s van deze reis.

Zij ging deze morgen dus met Vinh en Jill naar het politiebureau om aangifte te doen van de diefstal en als je iets van deze landen kende, dan wist je ook dat hier een strikte bureaucratie heerste die wat tijd in beslag zou nemen. Eerst moesten 3 papieren ingevuld worden, er was geen kopieermachine en dus moest alles drie keer met de hand geschreven worden. Dan moest er een handtekening van de baas op deze papieren komen maar dat duurde nog een extra half uur. In plaats van om 8u te vertrekken, vertrokken we dus met anderhalf uur vertraging.

Langs de Saigon Rivier zagen we vanuit de bus toch nog krotwoningen, hetgeen we al weinig gezien hadden gedurende de reis. Ook tentjes bestaande uit een bamboegeraamte met een zeil erover waar ook mensen in woonden. Het deed me een beetje terugdenken aan India waar heel veel mensen op zo een manier woonden en probeerden te overleven.

Door het late vertrek sloegen we de koffiestop over en rond de middag stopten we aan een pagode en een marktje waar we konden lunchen. We wandelden het marktje af naar de rivier en de brug. Aan de rand van de brug zat een man met zijn broek naar beneden (met vooraanzicht!) zijn behoefte te doen. Hij keek niet op of om terwijl we langs hem voorbijliepen en blijkbaar was dit heel normaal hoewel het de eerste keer was dat we zoiets zagen in dit land. Nog geen twee meter verder stonden grote schalen gedroogde vis op een klant te wachten. Ook smakelijk eten!

Verder was de hele stop een ramp, anderhalf uur was veel te lang voor zo een klein marktje en kwestie van lunch was er ook niet zoveel lekkers te rapen. Nergens kon je een koude cola krijgen en in een warme cola of frisdrank hadden we geen enkele zin.

We kwamen in de Mekong Delta en dat zagen we ook wel, veel kleine riviertjes en waterlopen, bootjes, huizen op palen en nog meer krotwoningen. Hier woonden vier bevolkingsgroepen: Vietnamezen, Chinezen, de Khmer afkomstig van Cambodja en de Cham bevolking.

Onderweg zagen we groene, bloeiende rijstvelden met graven er middenin. Deze mensen begroeven hun dode familieleden midden in het rijstveld of in hun groentetuin zodat ze telkens ze aan het werk gingen, konden terugdenken aan hun gestorven familielid.

De Mekong rivier was 4200 km lang en ging door 5 landen: China, Laos, Thailand, Cambodja en Vietnam. Hier splitste de Mekong zich in 2 rivieren, rivier 1 en rivier 2, er was ook een Vietnamese benaming maar die was te moeilijk, zei Vinh.

We reden over de brug over Rivier 1 en volgens Vinh was dit de mooiste brug van Vietnam. De brug deed ons denken aan de Pont de Normandie in Frankrijk maar de meesten van onze groep hadden die brug nog niet gezien, denk ik, want zij namen volop foto’s vanuit de bus.

Over Rivier 2 gingen we met de ferry wat heel vlot verliep. Aan de ferry gingen we de bus uit, we gingen er te voet op en ook weer te voet af en aan de andere kant van de rivier stond onze bus ons al op te wachten terwijl die toch niet op dezelfde ferry was dan wij. Hoe ze het gedaan hebben?

In de Mekongdelta was 95 % van de bevolking landbouwer, visser of eigenaar van een krokodillenfarm of slangenfarm.  De krokodillen werden verkocht aan de restaurants. Voor de slangen waren er twee bestemmingen: de gifslangen werden verkocht aan de restaurants en de pythons werden gebruikt voor de huid waarmee men dan handtassen en portefeuilles maakte.

Na de ferry moesten we nog een tiental minuten rijden naar Quoc Te International Hotel, gelegen aan de Boulevard van Can Tho. ’s Avonds gingen we eten in restaurant Nam Bo, vermeld in de Lonely Planet en ook gelegen aan de boulevard en het was terug een echte aanrader. Vinh had ons gezegd dat dit dé streek was om slang te eten en ik was van mening dat je die raad dan ook moest opvolgen. Ik at er de Snake Set Menu, eerst een voorgerecht met spring roll van slang met een pikant sausje en daarna kreeg ik gebakken slangenvlees met champignons, ui en groenten in een sausje met crackers en rijst. Het was het lekkerste dat ik deze vakantie al gegeten had. Freddy hield het bij zijn gebruikelijke biefstuk dat deze keer geserveerd werd met gratin dauphinois. Voor de snake set menu betaalde ik 95.000 Dong, dat was nog geen 4 euro.

We zaten aan een tafeltje aan de ingang op het gelijkvloers, er was ook een tweede verdieping waarbij je op het buitenterras kon zitten met zicht op de boulevard en de rivier en we zagen talrijke toeristen rechtsomkeer maken omdat ze niet op dit buitenterras konden zitten. We vroegen ons af waar die mensen in feite voor kwamen, voor het lekkere eten of voor het mooie (?) uitzicht op de lokale markt.

Later kochten we op het marktje nog 4 t-shirts voor ongeveer 5 euro, alles bij elkaar. We hadden nog steeds Vietnamese Dongs over maar wat we ook kochten, aten of dronken, we geraakten ons geld amper kwijt, alles was hier spotgoedkoop en zulke goedkope vakanties hadden we al weinig meegemaakt.

 

Dag 20: woensdag 25 november – Can Tho – Chau Doc

Om 6u ontbijt en om 7u vertrekken uit het hotel. De bagage kon op de kamer blijven tot 12u. Eerst moesten we een klein eindje lopen naar de bootjes voor een bezoek aan de drijvende markt. De bootjes waren sampans, kleine smalle bootjes van 4 personen waarmee we ook door de kleine kanaaltjes konden varen, dit in tegenstelling tot de grote toeristenboten. We vaarden gedurende een uurtje dicht tegen de oever om ons de gelegenheid te geven de huizen langs het water en de bevolking goed te kunnen zien en prima foto’s te nemen. De huizen langs het water stonden op palen en soms waren het echte krotten. De mensen in de Mekong Delta leefden heel eenvoudig, het water van de rivier gebruikten ze werkelijk voor alles, tanden poetsen, als grote badkuip, om hun kleren te wassen, om te koken, om te drinken en het bizarre van de hele zaak was dat ze het water ook gebruikten als groot toilet. Het water in de kleine kanalen was daardoor zodanig vervuild dat de regering maatregelen wou treffen om de kanalen te zuiveren maar dan moesten ook de huisjes en de mensen langs de kanalen weg. Daarom moest de regering deze mensen een compensatie aanbieden en dat zou natuurlijk heel veel geld kosten. Deze mensen waren arm en konden soms het schoolgeld niet betalen, daarom stopten veel kinderen al heel vroeg met school om werk te zoeken.

Tijdens het regenseizoen dat in deze streek 6 maanden duurde, waren er in dit gebied veel muggen en kwam malaria veelvuldig voor. Om de muggen weg te houden uit de huizen waren er 3 manieren: de eenvoudigste was de pel van de pomelo te drogen in de zon en deze dan onder het bed te leggen. De andere manieren waren moderner: of wierookstokjes branden tegen de muggen of een chemische spray spuiten in de hoeken van het huis.

Het doel van onze tocht was de drijvende markt en deze was een bezoek meer dan waard. In grote houten boten werden groenten en fruit aangevoerd en elke boot had een hoge bamboestok aan boord waaraan één stuk hing van alle goederen die op deze boot werden verkocht. Soms was dit maar één soort maar soms waren dit ook meerdere soorten. Kopers kwamen in kleine bootjes die voortbewogen werden door rechtopstaande roeispanen die een soort schaar vormden. We laveerden tussen de boten en konden het handel drijven op deze manier perfect gadeslaan.

Nadien maakten we nog een tocht door de kleine kanalen wat ook weer een bijzondere ervaring was. We gingen het lokale fruit van de Mekongdelta proeven bij een familie: mango, ananas, pomelo, banaan en lycheevrucht.

Rond 11u waren we terug in het hotel en om 12u gingen we gezamenlijk eten bij Nam Bo. Vinh, de chauffeur en de busboy die altijd aan een aparte tafel zaten bij lunches onderweg, waren uitgenodigd om met ons mee te eten als afscheid want als we deze avond in Chau Doc zouden aankomen, keerden zij gelijk terug naar Saigon. Uiteindelijk liep alles een beetje verkeerd af en was alles slecht geregeld. We zaten aan tafeltjes van 4 personen en Jill wou dat Vinh, de chauffeur en de busboy een beetje verdeeld tussen ons zouden zitten. Vinh was dit gewoon want hij sprak uitstekend Engels maar de twee anderen weinig of niets. Zij waren bovendien verlegen en zaten liever met hun tweeën op het gelijkvloers te eten terwijl wij op de eerste verdieping zaten. Uiteindelijk hebben we de fooien dan maar afgegeven op de koffiestop onderweg. Iedereen wilde een groepsfoto met hen voor de bus en het werd nog lachen. De man van het restaurant moest met alle camera’s een foto nemen wat natuurlijk even duurde. Alle camera’s stonden voor hem op de grond en op de duur wist hij niet meer welke hij gebruikt had en welke niet.

Rond 6u waren we in Hotel Thuan Loi, een eenvoudig hotel buiten het centrum maar wel gelegen aan de rivier en met mooie houten terrassen over het water waar het trouwens stikte van de muggen.

Om 20u30 hadden we een briefing want Jill had inmiddels met de plaatselijke gids gesproken en we moesten de papieren voor het visum voor Cambodja invullen. Na de briefing bleven we met Hanny en Adrie, Juul en Thijs, Mark, Raimond, Coen en Marscha en Marcel zitten en hoe meer bier iedereen dronk, hoe beter het ging om de naam Phnom Penh uit te spreken. We hadden de dolste pret terwijl Freddy de eerste Hollandermop van deze reis vertelde en de rest volgde met Belgenmoppen. We lachten zodanig hard dat de buren van het hotel op hun muren, bestaande uit golfplaat, klopten om aan te duiden dat we stil moesten zijn. Rond 22u werd er afgerekend en kregen we geen bier meer, op bevel moesten we gaan slapen. En al lachend liep iedereen over de houten planken het hotel binnen, de trap op naar de kamer. Deze avond was onverwacht één van de leukste van onze reis geworden.

 

Dag 21: donderdag 26 november – Chau Doc  - boot naar Phnom Penh

Het voordeel van dit hotel zat hem in het feit dat de boot naar Cambodja kon aanleggen aan de steiger voor het hotel. Op de plaats waar we gisteren onze vele biertjes dronken, konden we eerst ontbijten en om 7u30 de boot opstappen. Na een uurtje varen over de Mekong bereikten we de Vietnamese grensovergang. De Mekong was een brede, snelstromende rivier met kleine draaikolken, aan de kant stonden her en der paalwoningen. We zagen mensen aan de kant van de rivier de was doen en de vissers haalden hun netten boven, al dan niet met vis erin. Aan de Vietnamese grens moesten we uit de boot om een papiertje in te vullen maar dit was meer een verkoopstechniek want binnen was een winkel waar men de laatste Vietnamese Dongs kon opmaken. Wij hadden onze laatste Dongs echter terug gewisseld in dollars in het hotel.

Na 10 minuten varen kwamen we aan de Cambodjaanse grensovergang waar we weer uit de boot moesten om elk persoonlijk ons paspoort en visum aan te bieden aan de douanebeambte die ze zou afstempelen. Het verliep erg vlot, de beambte controleerde de naam, zette drie keer drie stempeltjes en na controle door een andere beambte konden we weer de boot in. De hele procedure duurde voor 24 personen nog geen half uur.

Daarna moesten we nog drie uur varen. Wij zaten met Adrie en Hanny, Juul en Thijs, Raimond en Marcel achteraan op het overdekte achterdek van de boot in de buitenlucht, weliswaar op harde houten banken terwijl de anderen in zetels zaten binnen in de boot. Bij aankomst in Phnom Penh deed ons achterwerk toch wel pijn van de houten banken maar we vonden het wel leuker om buiten te zitten.

Bij de aanlegplaats in Phnom Penh stond een hele meute mannetjes die ons een taxi, tuktuk, of hotel wilden aanbevelen. Toen zij hoorden dat wij met een groep van 20 personen waren en er maar 3 individuele reizigers op de boot zaten, zonk de moed hen in de schoenen. Aan ons konden ze niets kwijt, ons hotel was geregeld en onze plaatselijke begeleider stond ons op te wachten, een bord van Djoser in de hand en hij leidde ons naar de bus die even verder geparkeerd stond. Na amper 10 minuten rijden waren we in hotel Dara Reang Sey in het centrum van Phnom Penh. Het eerste wat we deden was een goede douche nemen en daarbij hebben we wel gelachen. De badkamer van het hotel was klein en de douchekop hing precies boven het toilet. Je kon dus het gemakkelijkst al zittend op het toilet een douche nemen want als je naast het toilet stond, moest je de douchekop in je hand houden want anders stond je niet onder de straal water. Aangezien de badkamer dus ook heel klein was, werd alles nat en de handdoek en het toiletpapier moesten buiten de badkamer blijven. De afloop van de wastafel was ook opmerkelijk, deze ging onder de wastafel in de muur om er net boven de vloer weer uit te komen, vandaar liep een blauwe plastiek afvoerbuis tot boven het afvoerputje in de hoek van de badkamer waar je het vuile water dan zag inlopen.

Toen we terug beneden kwamen, zat Marc in de bar. We dronken met hem een biertje en na een tijd kwamen Bart en Joyce ook bij ons zitten. Zij waren naar een ATM geweest maar daar kon je enkel dollars pinnen en geen Cambodjaanse Riels zoals Jill ons gezegd had. De dollars of euro’s moest je wisselen bij een bank of een wisselkantoor. Cambodja had twee munten n.l. de Amerikaanse dollar en de Cambodjaanse Riel. Alle prijzen stonden overal in dollars maar voor kleine aankopen op markten of winkeltjes was het beter dat je Riel had.

We hadden geen zin om op zoek te gaan naar een bank en lieten dus 50 euro wisselen in Riels in het hotel. Het was een gemakkelijke oplossing maar toch bleek weer dat je ten alle tijden alert moest blijven. Ik ging naar de balie met het briefje van 50 euro, ze namen het briefje aan en zeiden dat het geld er zou zijn binnen 5 minuten, dus ging ik terug naar de bar. Na een tijdje kwam inderdaad een mannetje met het geld naar de balie en even daarna kwam de mevrouw van het hotel mij de 260.000 Riel brengen, twee pakjes met 10 biljetten van 10.000 en 6 pakjes met 10 biljetten van 1000 Riel. Zij nam waarschijnlijk aan dat ik het teveel tijd zou vinden om het geld na te tellen, spijtig voor haar deed ik het wel. Zoiets doe ik altijd, overal, zoals ik ook overal elke rekening controleer. Het bleek dat ik maar 5 pakjes had met biljetten van 1000 Riel. Met het geld ging ik dus terug naar de balie en ik hoefde niet echt veel uit te leggen want zij keek in de lade en zag plots als bij toverslag het zesde pakje liggen met de biljetten. Uiteindelijk ging het maar om een bedrag van minder dan twee euro maar ik heb er een hekel aan als ze mij proberen te belazeren.

Daarna gingen we een rondje lopen in de omgeving van het hotel waar het toch wel weer druk was, alleen reden hier meer auto’s rond dan in Vietnam. Ook de bevolking was anders, groter en breder gebouwd, niet zo tenger en slank als de Vietnamezen en met een veel donkerder huidskleur, dit was een Khmer bevolking en het verschil was goed te zien.

We wandelden langs de rivier, langs een kleine markt en plots zagen we dat 3 jongeren ons erg in de gaten hielden toen ik een paar foto’s maakte. Dit was de hoofdstad van Cambodja en met het voorval van de gestolen camera van Diana nog in onze gedachten voelden we ons niet echt op ons gemak en keerden we terug naar het hotel. Zulke dingen hadden we op elke reis, ieder land was anders en een eerste dag in een land was altijd aanpassen en kijken hoe en wat. Na het vriendelijke Vietnam was dit totaal anders alhoewel een hoofdstad geen maatstaf vormde voor hetgeen er in het land gebeurde.

Voor we gingen eten dronken we een biertje in de bar van het hotel en algauw kwamen ook Marc en Marcel bij ons zitten. Met zijn vieren gingen we dan eten langs de boulevard bij Veiyo Toulé waar op het bord de volgende mededeling stond: Cambodian owned and run restaurant for the benefit of Cambodian children. We zouden dus eten voor het goede doel en de verdere toekomst van de plaatselijke kinderen. We gingen buiten zitten op het terras wat perfect kon met deze temperatuur maar achteraf bekeken een slechte keuze was want we werden voortdurend lastig gevallen door bedelaars en kinderen die ofwel bedelden ofwel van alles probeerden te verkopen zoals boeken, horloges, sjaals en allerlei andere prullen. De ouders van de kinderen stonden wat verder toe te kijken en eenmaal de kinderen iets verkochten, moesten ze het geld onmiddellijk aan de ouders overhandigen. Mijn principe was dat je niets van kinderen moest kopen omdat zoiets alleen in de hand werkte dat zij thuis gehouden werden van school om handel te drijven als het toch zo gemakkelijk ging. Marcel en Hanny, want Adrie en Hanny waren ondertussen ook bij ons aangeschoven, onderhandelden bij een meisje, dat veel verkoopskwaliteiten en de nodige overtuigingskracht had om iets aan de man te brengen, over de prijs van 2 Lonely Planet boeken van Cambodja, editie 2010 (!!) dan nog, dus ultra nieuwe editie. Ze had maar 1 boek bij zich maar na 5 minuten en even aanlopen bij de ouders en de buren toverde zij een tweede boek op tafel. Uiteindelijk werd de deal gesloten, 8 dollar voor de twee boeken. Later zou blijken, zoals ik al verwacht had, dat dit kopieën waren van de originele boeken, de gewone bladzijden waren goed leesbaar, alleen de stadplannetjes waren niet zo duidelijk en vaag.

Het eten was er lekker, ik probeerde de amok fish, een milde curry met vis, kokosmelk en kruiden met rijst, een typisch Cambodjaanse gerecht.

Na een tijdje kwamen Bart en Joyce ook bij ons zitten en toen we afrekenden, betaalde Marc de rekening en moesten we met hem elk apart afrekenen. Marc had de ergerlijke gewoonte om met zijn geld te zitten zwaaien en de dollars gewoon op tafel te leggen. Toen ik om me heen keek, zag ik rond onze tafel een heleboel mensen staan, plaatselijke bevolking en veel bedelaars die gefascineerd naar al dat geld stonden te kijken. Dat zijn juist de dingen die je in zulke landen moet vermijden en dat was om te koop te lopen met al je geld. Die mensen hebben weinig of niets en als je er echt naar streeft om overvallen te worden, wel, dan moet je zoiets doen want dan denken die mensen algauw dat je miljonair bent. Ik had er genoeg van en samen met Hanny en Adrie liepen we samen terug naar het hotel terwijl de anderen nog naar de discotheek gingen.

Achteraf hoorden we dat het toch wat uit de hand gelopen was. Toen ze rond half twee ’s nachts uit de discotheek kwamen, vonden ze het hotel niet meer terug. Bart liep rond op de derde verdieping van een ander hotel. Mark liep rond in het juiste hotel maar wist zijn kamernummer niet meer en dus vond hij niets beter dan op elke kamerdeur te bonken op de tweede verdieping. Nadat de helft van het hotel wakker was, werd Jill gebeld om het juiste kamernummer door te geven. Gelukkig sliepen wij op de derde verdieping en hebben we niets gemerkt van alle herrie.

 

Dag 22: vrijdag 27 november – Phnom Penh

De rest van de groep ging naar het Tuol Sleng Museum en de Killing Fields. Wij gingen niet mee omdat we vonden dat we op deze reis al genoeg gezien hadden van de oorlog en we wilden op onszelf en op eigen tempo de stad verkennen. We konden dus wat langer slapen dan de vorige dagen want die waren al vrij druk geweest, ook al hadden we veel vrije momenten, toch was je altijd bezig en was de reis in zijn totaliteit vrij zwaar.

We liepen eerst naar de What Phnom, een tempel waaraan de hoofdstad zijn naam ontleende, die gelegen was op de enige heuvel in de stad. De entree bedroeg 1 dollar. Van overal kwam men naar deze pagode want elke wens die men er deed, zou in vervulling gaan. Beneden aan de trappen leek het een kleine kermis, er stond zelfs een olifant waarop men een ritje kon maken. Aan de ingang naar de pagode zelf stonden verkopers met kleine vogeltjes in kooien. Je kon betalen om een vogeltje los te laten en dit zou dan ook een zekere vorm van geluk brengen maar sommigen beweerden dat deze vogeltjes telkens terug keerden.

We werden langs de trappen voortdurend lastig gevallen door bedelaars en gehandicapten zonder benen of met gruwelijke verminkingen. Schrijnende armoede en vreselijk om aan te kijken maar toch moest je deze ellende negeren want iets geven aan een bedelaar loste de hele zaak niet op. Er waren er zoveel, er kwam geen einde aan. Het was de taak van de regering om daar iets aan te doen en te maken dat er voorzieningen waren voor zulke mensen.

Het verschil tussen Vietnam en Cambodja was enorm, Vietnam was communistisch en de meesten hadden het wel goed maar in Cambodja had je de ultra rijken en de ultra armen. De rijken reden rond in dure auto’s van bekende merken, hadden een goedgevulde buik die ook goed zichtbaar was en de armen hadden niets, maar dan ook echt niets. Zij waren aangewezen op bedelen.

Vandaar wandelden we naar de Psar Thmei, de centrale markt, met een centraal gebouw en vier zijarmen die vol stonden met stalletjes waar men echt alles verkocht. De versafdeling met groenten, fruit, vis en vlees was voor ons het meest interessant en leverde terug de nodige foto’s op. Van sommige dingen in grote potten vroegen we ons af of ze al eens gegeten waren want er waren echt vieze dingen bij. Aan een stalletje hingen naast de kippen ook kleine geroosterde vogeltjes. Volgens ons reisboek was de markt proper maar daar hadden we wel even een andere mening over. Maar ja, dit was Cambodja en geen België met al zijn gekke en overdreven regels over hygiëne.

We liepen terug naar de rivier, dronken een biertje en namen een tuktuk naar het overwinningsmonument, gebouwd in 1958 ter nagedachtenis aan de gevallen doden tijdens de oorlog.

Vandaar liepen we naar het koninklijk paleis en de zilveren pagode. De blikvanger in de zilveren pagode was een gouden beeld van een staande Boeddha. Ook de troonhal van het koninklijk paleis was schitterend met een gouden troon onder een gouden parasol maar binnen mocht je nergens foto’s maken en er stonden genoeg wachters zodat het ook niet echt lukte om het wel te doen. De tuin rond de verschillende gebouwen was perfect onderhouden met grote potten met exotische bloemen en planten. Aan de binnenkant van de 640 meter lange muur rond het complex waren mooie fresco’s.

Van het paleis liepen we langs de rivier terug naar het hotel. Van sommigen van de groep hoorden we dat de trip naar de Killing Fields niet echt geslaagd was. Ze waren eerst te laat vertrokken en daarna kregen ze welgeteld 15 minuten om het gigantische terrein te verkennen, het leek ons meer dan een blitzbezoek op zijn Japans. We waren blij dat we niet mee geweest waren en weer eens onze eigen zin gedaan hadden. Geen frustratie voor ons, alleen genieten.

’s Avonds liepen we langs de boulevard op zoek naar een restaurant maar we wilden in geen enkel geval buiten zitten op het terras om daar weer voortdurend lastig te worden gevallen door bedelaars en jeugdige verkopers. We passeerden La Croisette, een Frans en Khmer restaurant, gelegen op een hoek met veel ramen, waar je buiten maar ook binnen kon zitten. Het was er zalig rustig en er was airco dus waren ook de deuren dicht. Freddy at een T-bone steak van 350 gram en ik nam weer de fish amok die totaal anders was dan gisteren. Toen was het een soort Indische curry en hier was het een soort paté van vis, citronella en kokos geserveerd in een druivenblad.

We waren vroeg terug op de kamer waar we nog een biertje dronken en genoten van onze rust.

 

Dag 23: zaterdag 28 november – Phnom Penh – busrit naar Siem Reap

We vertrokken om 8u naar Siem Reap met een buschauffeur en een bijrijder die geen woord Engels spraken en aangezien we in Cambodja geen gids hadden die met ons meereisde was het behelpen met gebarentaal. Rond 10u stopten we aan een marktje in het zogenaamde “spinnendorp” en de specialiteit was hier de gedroogde zwarte spinnen en andere insecten zoals kevers, larven en krekels die door de Cambodjanen beschouwd werden als een delicatesse en een lekkere snack. De spinnen waren geen kleintjes maar werkelijk grote spinnen, we zagen een meisje met een levende spin en het zicht zowel van de levende als van de schaal met gedroogde spinnen was gruwelijk en vies. Normaal gezien proeven we zoiets maar aan dit hebben we ons niet gewaagd. Op het marktje werd ook de grolan verkocht, een mengeling van kleefrijst, kokosmelk en bonen die in een bamboekoker boven houtskoolvuur werd bereid en langs de weg en op markten verkocht.

Na een lunchstop die meer dan een uur duurde en waarbij het eten niet veel voorstelde (gelukkig hadden wij weer besloten om hier niet te eten en te wachten tot deze avond), reden we verder langs het Cambodjaanse platteland wat een schril contrast vormde met de hoofdstad en ook met het platteland van buurland Vietnam. Hier zagen we geen huizen uit baksteen maar huizen opgetrokken met houten planken of zelfs gevlochten stro. Bijna allemaal waren het paalwoningen, de ene al wat hoger dan de andere maar met telkens onderaan de dieren zoals buffels, kippen of eenden, soms ook hangmatten met tafel en stoelen voor mensen. Het onderste gedeelte werd ook gebruikt als opslagplaats voor volle zakken rijst of andere eetwaren. De bovenste verdieping was de leefruimte, meestal één kamer die diende als slaapkamer en zitkamer. De honden waren er graatmager en dat was alweer een teken dat er armoede heerste. We zagen veel kleine beekjes en stilstaande meertjes die er niet al te zuiver uitzagen en als drinkplaats dienden voor mens en dier.

Ondertussen werd het bloedheet in de bus want de airco viel telkens uit. De zetels waren van plastiek en op de duur werden onze broek en t-shirt ook nat van het zitten op deze zetels.

We hadden ook nog een korte stop aan een Khmer brug waar overigens verder weinig of niets te zien was.

Rond 16u kwamen we aan in het Reaksmey Chanreas Hotel waar Jill had geregeld om naar de zonsondergang te gaan kijken maar waarbij we dan al om 16u30 moesten vertrekken met de bus. We wilden op onze vakantie niet opgejaagd worden en hadden in feite al grotendeels besloten dat we de tempels van Angkor niet wilden bezoeken met een groep van 20 personen. Dus regelden we zelf ons vervoer buiten op straat wat geen enkel probleem opleverde. Met 9 personen, Koos en Rie, Marscha en Coen, Juul en Thijs, Raimond en wij, regelden we vier tuktuks die ons de volgende dag langs de tempels zouden brengen. We spraken een prijs af voor het kleine circuit met ook de tempel van Preah Khan waarbij we om 4u ’s morgens zouden vertrekken voor de zonsopgang aan de tempel van Angkor What.

We wandelden daarna naar de toeristenmarkt met zijn ontelbare stalletjes met allerlei souvenirs en kochten er een beeld in de vorm van een typisch Khmerhoofd, heel mooi en een typisch souvenir van Cambodja. We hadden zo een beeld zien staan in een restaurant in Phnom Penh en toen we op het marktje rondkeken, waren er wel een aantal beelden te koop maar die konden niet echt onze goedkeuring meedragen en na veel zoekwerk vonden we hét beeld waarbij we met afdingen de prijs betaalden, die we er met veel plezier wilden voor betalen want we hadden weer een uniek souvenir van een fantastisch land. 

’s Avonds gingen we eten in het Red Piano restaurant en we zaten er net toen ook de anderen binnen kwamen waarmee we de volgende dag de tempels zouden bezoeken en zij schoven bij ons aan. Ik probeerde de Cambodian curry, heel pikant en heel lekker.

 

Dag 24: zondag 29 november – Siem Reap

Om 4u stonden de tuktuks ons op te wachten, onmenselijk vroeg maar als je iets wil zien, moet je er ook iets voor over hebben. Van het hotel kregen we een ontbijtbox mee, heel netjes en met dank aan Rie die dit gisteren voor ons geregeld had aan de receptie.

Na 20 minuten rijden stopten we al aan het ticket office terwijl dit maar open ging om

4u50 (!!) maar met als grote voordeel dat we wel eerst waren. Tijdens de rit hadden de bestuurders van de tuktuks al een dikke jas en handschoenen aan terwijl wij enkel een t-shirt en korte broek droegen en de temperatuur dan nog aangenaam vonden. Voor deze mensen werd het winter en zij vonden het dus blijkbaar al koud.

Wijzelf namen een ticket voor twee dagen terwijl de anderen een ticket namen voor 1 dag omdat zij nog niet wisten of ze wel twee dagen wilden besteden aan tempels kijken.

Aan de kassa werd een foto genomen met een kleine camera die op een arm stond die uit het loket geschoven werd en die foto werd onmiddellijk afgeprint op het ingangsticket.

De chauffeurs stopten aan de ingang van Angkor What waar wij nog een eindje moesten lopen in het donker. Gelukkig had Freddy een zaklampje mee en terwijl iedereen naar elkaar riep of er een opstapje of afstapje was zodat niemand zou struikelen, liepen we verder over de ongelijke stenen zonder iets te zien. Op een bepaald moment kwamen we aan een waterplas en daar werden stoelen voor ons klaar gezet die gratis waren als we een koffie of thee dronken. We moesten nog een tijdje wachten tot het licht werd maar we zaten in elk geval gemakkelijk en comfortabel op de eerste rij. Langzaam werd het alsmaar drukker achter ons terwijl we stilaan de silhouetten van de torens van Angkor What zagen verschijnen. Het was machtig mooi en we begrepen meteen waarom deze tempels wereldwonderen waren. Ik kon niet inschatten hoeveel mensen daar stonden en hoeveel foto’s daar genomen werden maar het zullen er enorm veel geweest zijn.

De silhouetten van de torens die weerspiegeld werden in het water met de roze waterlelies was meer dan prachtig en een echt juweeltje.

De zonsopgang zelf was niet echt spectaculair omdat er teveel wolken waren. Toen het licht werd, zagen we dat er een restauratie van de tempel aan de gang was en het zicht werd een beetje verpest door een groen zeil dat je niet kon negeren. Spijtig maar het was niet anders.

Daarna namen we de tijd om de tempel verder te bekijken en kwamen tot de conclusie dat de kunst en architectuur van de Khmer met geen woorden te beschrijven waren. Het enige spijtige was dat hij voor een deel in de stellingen stond voor restauratie maar dit deed geen afbreuk aan de gigantische indruk die we kregen van het bouwwerk.

Rond 8u reden we verder naar de Bayon, de tempel met de lachende gezichten. Eerst stopten we aan de zuidelijke poort waar een brug met aan elke kant beelden van goden en demonen ons naar de poort leidde. Deze beelden hielden een reusachtige slang in hun handen. Het was terug een typische Khmer brug en heel mooi om te zien.

Daarna bezochten we het terras van de olifanten, een 300 meter lang terras met afbeeldingen van olifanten. Rechtover dit terras stonden wat kleinere tempeltjes waar we wat gingen uitrusten in de schaduw want de temperatuur liep aardig op en het werd heet in de zon.

Dan reden we naar Preah Khan, eveneens één van de grootste bouwwerken van Angkor. Deze tempel was enorm groot, gedeeltelijk vervallen en ook door de jungle overwoekerd maar niet in de mate zoals Ta Phrom zou zijn. De tempel was een labyrint van smalle gangen, doorkijkjes, nissen en kleine binnenplaatsen. Aan de uitgang van de tempel waren aan de overkant diverse eetstalletjes waarvan de verkoopsters ons om ter hardst toeriepen om toch vooral hun stalletje binnen te stappen. Het werd moeilijk kiezen en toen ik naar de grote flessen Angkor bier keek die op de tafels stonden, stond er al een vrouwtje met een fles bier te zwaaien. Zoiets hadden we ook al gezien bij de souvenirstalletjes, ze keken naar je ogen en als je naar iets keek, stonden ze al direct met het bedoelde item te zwaaien. Ze hadden een goede neus voor iets wat je graag wilde hebben en maakten er dan ook gebruik van.

Zes mensen van ons groepje stapten een tentje binnen terwijl Marscha, Juul en ik door één van de chauffeurs met de tuktuk naar het toilet gevoerd werden. Her en der stonden mooie gebouwen op het immense terrein met goed onderhouden en propere toiletten. We lachten heel wat af met ons drieën omdat we als koninginnen met de tuktuk naar het toilet gebracht werden wat toch een eindje van het eetstalletje verwijderd lag. Bij de toiletten moest je het ingangsticket laten zien en dan kon je gratis naar het toilet. Na een kwartiertje waren we terug bij het restaurant waar we een voortreffelijke lunch met spring rolls  hadden. Als dank en compensatie voor onze chauffeurs betaalden wij hun lunch.

Toen we klaar waren, reden we naar Ta Keo, een immens gebouw in de vorm van een piramide uit zandsteen maar zonder decoraties of reliëfs. Je kon naar boven klimmen maar de trappen waren extreem steil en de treden heel hoog en smal en uiterst gevaarlijk. Enkel Thijs en Raimond klommen naar tot de bovenste verdieping, wij gingen naar de tweede verdieping maar zagen het verder niet meer zitten en keerden terug. De trap naar beneden leek wel een afgrond.

De laatste tempel die we bezochten, was de fameuze Ta Phrom, de wereldberoemde tempel door de jungle overwoekerd. Hier zagen we de gigantische boomwortels rond muren en stenen wat een spectaculair zicht opleverde en het besef dat de natuur een enorme kracht kon ontwikkelen. Zoals de tempels waren, werden ze ontdekt in 1860 en zij werden nooit gerestaureerd. Je kon van de ene kant van de tempel naar de andere kant lopen door een doolhof van gangen waarvan sommigen ingestort of onderstut waren. Verschillende torens werden door boomwortels overwoekerd en overgroeid en het was één van de spectaculairste tempels van Angkor.

Na dit bezoek had iedereen er genoeg van voor deze dag en we keerden terug naar Siem Reap waar we ons lieten droppen aan de Pub Street, een straat met pubs en restaurants omdat iedereen zin had in een biertje. Na twee spotgoedkope tapbiertjes van een halve liter voor een halve dollar liepen we terug naar het hotel om te douchen.

’s Avonds gingen we eten bij Kamasutra, een Indisch restaurant en de Zuid-Indische mutton madras was spicy en lekker.

Rond 20u waren we al weer terug in het hotel, moe van een lange dag en de vele indrukken die we opgedaan hadden en we lagen al vroeg in bed.

 

Dag 25: maandag 30 november – Siem Reap

Zoals we gevraagd hadden stond onze tuktuk chauffeur van de vorige dag ons om 8u op te wachten voor een trip naar Banteay Srei en de Ruluos Groep.

Deze keer gingen we alleen omdat de anderen één dagje tempels wel genoeg vonden. Voor ons was dit niet zo, de tempels van Angkor waren de reden waarom we voor deze reis gekozen hadden en dus wilden we die twee dagen ook aan de tempels besteden. Ieder zijn zin en dat was ook het leuke aan deze reizen.

Vanaf het hotel tot Banteay Srei was het een uurtje rijden langs kleine wegen op het platteland. Hier was het leven van de bevolking veel eenvoudiger en er was ook veel meer armoede dan in Vietnam.

Banteay Srei zelf werd “het juweel van Angkor” genoemd, niet zozeer vanwege de omvang of architectuur maar wel door de heel mooie en unieke bas-reliëfs, uitgehouwen in een soort rode zandsteen en van een uitzonderlijke schoonheid. De verschillende kleuren in de zandsteen maakten het geheel tot een juweeltje. Deze tempel werd zoals de andere tempels van de kleine route heel druk bezocht. Deze was nog maar een 10 à 12 jaar toegankelijk voor bezoekers want vroeger zaten de Rode Khmer in dit gebied. We reden de weg terug en gingen oostwaarts naar de Ruluos Groep, een aantal tempels die heel wat minder bezocht werden door toeristen.

Eerst zagen we de Lolei, een tempel gewijd een Shiva, met 4 torens die in een slechte staat verkeerden en steeds verder afbrokkelden. Speciaal waren hier de nissen met de zandstenen reliëfs en de graveringen in het Sanskriet boven elke deurpost. Achter de tempel was een klooster voor monniken en naast de tempel stond een boeddhistische pagode met centraal vooraan een Boeddhabeeld, aan elke kant mooie goudkleurige pilaren en fantastische afbeeldingen op de muren en het plafond. Aan de linkerkant zat een monnik in zijn eentje luidop te bidden.

Daarna reden we naar de Bakong, de grootste en belangrijkste tempel van de Ruluos groep. Een pad voerde naar ons naar een piramide van 5 verdiepingen met daar rond 8 torens waarvan de ene al iets meer vervallen was dan de andere en bij enkele torens vond je nog stukken van de originele bezetting met mooie afbeeldingen. De gedeeltelijk vervallen tempel was toch wel de moeite waard en het uitzonderlijke was dat we op zeker moment heel alleen liepen op het terrein, geen enkele toerist in de buurt dus we hadden voor een keertje ook foto’s van tempels zonder mensen erop of zonder dat we uren moesten wachten tot iedereen weg was. Een hele verademing na het drukke Angkor What en Ta Phrom en zoiets werkte ook op het gemoed. Toen een meisje ons na het bezoek vroeg of we geen sjaaltje wilden kopen, zeiden we gelijk “ja graag”, het was geen aandringen, alleen een vraag en dan ging je vlugger ja zeggen dan anders. Het leverde ons twee leuke zijden sjaaltjes op en het geld dat we daaraan besteden, was het vermelden niet waard.

We hadden er genoeg van en vroegen aan de chauffeur om ons terug te brengen naar het hotel waar we na de middag arriveerden. We hadden twee leuke dagen gehad, we hadden gezien wat we wilden zien en meer moest dat voor ons niet zijn. Toen we bij het hotel kwamen, gaf Freddy zijn Honda Formule 1 petje aan onze chauffeur die er echt heel blij mee was. Zijn eigen petje was tot op de draad versleten.

In het hotel gingen we even relaxen om daarna nog wat op de centrale markt rond te lopen want ik wilde nog een speciaal beeld in hout met de vele gezichten langs elke kant om bij ons thuis aan de muur op te hangen. Dit leverde geen enkel probleem op en na wat afdingen, hadden we terug iets meer om in onze rugzakken te steken die ondertussen toch al aardig vol geraakten.

In de Pub Street gingen we een draft biertje van een halve liter drinken en na een tijdje kwamen Juul en Thijs en Coen en Marscha bij ons zitten. Na twee biertjes liepen we terug naar het hotel om te douchen en de rugzakken in te pakken voor de terugreis van de volgende dag. Toen we bij het hotel aankwamen, stond onze tuktuk chauffeur er met het Honda petje op zijn hoofd, zo fier als een gieter.

’s Avonds hadden we ons afscheidsdiner in de Red Piano waarbij eerst Hanny een speech gaf en daarna Jill die een cadeautje had voor iedereen, chopsticks met een voetje, wat toch wel een leuke attentie was van haar. Na het eten gingen we nog een biertje drinken met Juul en Thijs, Koos en Rie, Raimond en Coen en Marscha waarna iedereen terug liep naar het hotel langs een kleine straat met winkeltjes. Een winkel met mooie beelden wou net zijn deuren sluiten en de eigenaar was alles aan het binnen brengen. We zagen een geweldig mooi beeld op het bovenste schap staan, een soort Shiva met zijn 10 armen maar met het hoofd van een Khmer, heel speciaal, 45 cm groot en vrij zwaar. Freddy maakte wat grappen met de eigenaar en zijn vrouw, afdingen zoals het beschreven wordt in elk boekje, al grappen makend toch de prijs zover naar beneden proberen te halen tot het betaalbaar wordt. De anderen stonden te kijken hoe het beeld uiteindelijk het onze werd voor 91 dollar. In onze kamer moesten we de rugzakken voor de tweede keer vandaag herpakken om het beeld toch nog in één van de rugzakken te krijgen. Het beeld was veel te zwaar voor onze dagrugzak aangezien we in Singapore nog 8 uur moesten wachten en die rugzak steeds moesten meeslepen. Toen we thuis kwamen, kwamen we tot de conclusie dat we op deze reis toch wel enorm veel gekocht hadden aan souvenirs. Maar we hadden toch wel unieke en mooie dingen en dat gaf ons veel voldoening.

 

Dag 26 en 27: 1 en 2 december – vlucht terug naar huis

Om 8u30 vertrokken we naar de luchthaven van Siem Reap, amper 15 minuten rijden. Het inchecken verliep vrij traag op deze kleine luchthaven en na het betalen van de luchthavenbelasting van 25 dollar konden we door de douane. We zagen dat onze rugzakken gedurende deze reis ook wel aan gewicht hadden gewonnen want bij vertrek wogen zij samen 24 kg en nu maar liefst 36 kg!

We vertrokken om 10u40 met een Airbus A320 voor een vlucht van een half uur naar Phnom Penh. Daar moesten we uit het vliegtuig, terug door de security check en in transit. Daar terug een uur wachten om dan terug te vertrekken om 12u20 met hetzelfde vliegtuig voor een vlucht van 1 uur en 40 minuten naar Singapore. Daar was het terug een uur later en 15u plaatselijke tijd.

Daar moesten we maar liefst 8 uur wachten op onze vlucht naar Amsterdam en gedurende die 8u gingen we iets drinken in Harry’s Bar, daarna rondlopen langs de winkels, gebruik maken van het gratis internet op de luchthaven, zitten in de zetels die overal in de luchthaven stonden want we waren niet de enigen die zolang moesten wachten, we gingen iets eten waarna we terug gingen rondlopen en zitten en rondlopen………….om tot de conclusie te komen dat 8u toch wel enorm lang was.

Om 22u50 moesten we boarden maar zoals gebruikelijk op Singapore was het een file van vertrekkende en aankomende vliegtuigen en het duurde een tijdje eer we de lucht in gingen voor een vlucht van 11 uur en 40 minuten. We zaten terug niet naast elkaar zoals meestal met Djoser het geval is maar aangezien er lege plaatsen waren, hadden we het al vlug geregeld dat we van plaats verwisselden. Het eten kwam er vrij snel aan en daarna gingen de lichten uit en kon iedereen slapen. Al met al hebben we nog redelijk geslapen op deze vlucht waarbij op het einde heel wat turbulentie was. Om 4u onze tijd kregen we ontbijt waarbij we konden kiezen uit roerei of noedels. Als afsluiter van onze reis en omdat ik er geen genoeg kon van krijgen, koos ik voor de noedels die er goed in gingen. We kregen geen warme dranken zoals koffie of thee vanwege de turbulentie en om 6u ’s morgens landden we op Schiphol waar het de voorbije nacht voor het eerst vroor. We kwamen dus van goed 30 graden celsius naar amper 2 graden en het was berekoud toen we uit de luchthaven kwamen.

 

Deze reis was een organisatie van Djoser en het was een prachtreis.