Myanmar reisverhaal

Reisverhalen en foto's van Freddy en Linda

The world is a book and those who do not travel read only a page

Reisverhaal Myanmar

31 oktober - 21 november 2006


Toen we met de bus de luchthaven van Yangon verlieten, werden we bij het binnenrijden van de stad verwelkomd door een groot bord versierd met een pagode en een leeuw en met de woorden:

“Welcome to Myanmar, the golden land”

Op dat moment wisten we nog niet dat het één van onze mooiste reizen zou worden mede door de vriendelijkheid van de bevolking, de vele hoogtepunten in de reis en de magische momenten van verering en devotie die we ervaren hebben in de ontelbare tempels en gouden pagodes.

Het bezoeken van Myanmar werd jarenlang geboycot omwille van zijn bedenkelijke politieke reputatie en wordt nu nog door sommige reisorganisaties niet aangedaan. Dit is echter zonde want de plaatselijke bevolking kan er goed bij varen en kan de inkomsten uit het toerisme heel goed gebruiken en op die manier uit zijn isolement geraken. Daarom zou ik de oproep willen doen om Myanmar niet links te laten liggen maar het land toch te bezoeken en te genieten van een unieke cultuur.

 

Dag 1 en 2: dinsdag 31 oktober en woensdag 1 november

Na een lange vlucht met Singapore Airlines van Schiphol Amsterdam naar Singapore en een aansluitende vlucht met Silk Air naar Yangon kwamen we kort na de middag van de eerste november aan in het Eastern Hotel waar we de eerste instructies kregen van Ernst-Jan, onze reisbegeleider voor de komende 3 weken. Het meest bizar vond ik het feit dat je geen onderbroeken of sokken in de was mocht geven in de hotels. Je moest deze zelf wassen en als je ze op een lijn had hangen in de hotelkamer en het personeel moest er onder door lopen om de kamer schoon te maken dan liep je het risico dat de kamer maar voor de helft werd schoon gemaakt. We mochten ook niets in de was geven dat niet mocht gestreken worden want hoe je het ook met handen en voeten uitlegde, alle was werd gestreken.

Het was snikheet in Yangon en na een tijdje in de omgeving van het hotel rond gelopen te hebben om de eerste indrukken op te doen van het land en zijn bevolking gingen we ’s avonds met de hele groep eten in de Golden Duck Junior aan de haven. Het was er best gezellig want we zaten aan ronde tafels en niet aan hele lange tafels waardoor je de indruk kreeg dat je in een fabrieksrefter at.

Daarna reden we met de bus naar de verlichte Shwedagon Pagode die 98m hoog was en bijna in de ganse stad te zien. Voor Birmaanse boeddhisten was dit het meest heilige heiligdom van het ganse land en alle inwoners hoopten om dit eens in hun leven te bezoeken. We reden ook naar het Karaweih Palace in het Kandawgyi Lake, een paleis in de vorm van een boot.

Iedereen hield het na dit uitstapje voor bekeken en kroop in bed om uit te rusten van de lange heenreis.

 

Dag 3: donderdag 2 november

Deze voormiddag bezochten we de Shwedagon Paya, hét nationale monument in Myanmar. Een Birmaanse monnik zei ooit: “als je de gouden tempel van Yangon niet gezien hebt, ben je niet in Myanmar geweest.” De pagode was 2500 jaar oud en één van de meest indrukwekkende boeddhistische heiligdommen ter wereld. De klokvormige met bladgoud bedekte “zedi” schitterde al in de zon toen we de vele trappen beklommen naar het platform. Het tempelcomplex bestond uit 4 ingangen met in het midden de grote pagode en daar rondom ontelbare paviljoenen met altaren en Boeddhabeelden. We liepen gewoon onze neus achterna en bekeken de monniken en pelgrims die op de grond zaten te mediteren en allerhande religieuze rituelen uitvoerden.

Er was een symmetrie over 8 punten, de 7 dagen van de week waarvan de woensdag in 2 gedeeld werd. Als je dus ging offeren, was het belangrijk om te weten op welke dag je geboren was.

De Shwedagon pagode was voor ons een gouden, magisch mysterie en we genoten van de momenten van devotie van de plaatselijke bevolking.

De boeddhistische vasten die dit jaar van half juli tot half oktober (volle maan) liep, was net voorbij. Deze vasten hield in dat monniken zich niet mochten verplaatsen, dat ze minder mochten eten en ook helemaal niets meer mochten doen. Niet dat een monnik anders zoveel deed maar soms deden ze al eens de was terwijl ze tijdens deze vastenperiode dus totaal niets meer mochten doen.

Na het bezoek aan de Shwedagon reden we naar de Nga Htat Gyi Pagode met de zittende Boeddha. Nga wilde 5 zeggen en dus was de Boeddha zo groot als een gebouw van 5 verdiepingen.

In de omgeving bezochten we de Chaukhtatgyi met de liggende Boeddha van 66m lang en 60m hoog. Deze Boeddha was wel indrukwekkend maar spijtig genoeg lag hij in een soort hangar met metalen dak en dit deed veel inbreuk op het geheel en daardoor was het ook moeilijk om mooie foto’s te maken van het geheel. De drie belangrijkste posities van een Boeddha waren staand, zittend of liggend maar deze was speciaal omdat hij in een soort Nirwana positie lag met de ogen open terwijl de rechterhand het hoofd ondersteunde.

In de namiddag bezochten we de Sule pagode van 2000 jaar oud die in het hart van de stad lag. De gouden zedi was 46m hoog maar het complex was veel kleiner dan de Shwedagon. Aan de buitenkant van de pagode waren een heleboel kleinere winkeltjes waar men pasfoto’s kon laten maken.

Het nationale kledingstuk gedragen door mannen en vrouwen was de longyi, een soort dichtgestikte grote doek die bij mannen vooraan gestrikt werd en bij vrouwen opzij. Alleen mannen droegen longyi’s met strepen of ruiten.

In de omgeving zagen we ontelbare straatverkopers die hun waren uitstalden op de stoep. We dwaalden door de straten en snoven de sfeer op wat heel leuk was omdat iedereen heel vriendelijk was. Om de straat over te steken moest je goed uit je doppen kijken want er werd geen rekening mee gehouden of je al dan niet het zebrapad gebruikte en grote voertuigen hadden hier altijd voorrang.

Yangon was een stad met heel wat grote koloniale gebouwen uit de Engelse tijd. Op zeker moment besliste de een of andere generaal dat alle Engelse invloeden moesten verdwijnen. Hij bedoelde dit eerder op politiek gebied maar men nam dit letterlijk en daardoor reed het verkeer rechts in plaats van links zoals vroeger het geval was. Sommige wagens hadden het stuur links en andere rechts omdat wagens uit Japan en Korea waar men links reed verkocht werden in Myanmar waar ze zeker nog een 20-tal jaren mee gingen. Daardoor hadden de buschauffeurs ook altijd een bijrijder om aanwijzingen te geven bij het inhalen.

In de ABC Country Pub en Coffee Shop gingen we een biertje drinken en in de late namiddag was het platte rust op bed want de lange vlucht hing nog in onze kleren.

’s Avonds aten we in het Shwe Win Restaurant schuin over het hotel, een klein restaurant waar ook de plaatselijke bevolking veel kwam en waar het eten best lekker was.


Dag 4: vrijdag 3 november

Toen we deze morgen wegreden bij het hotel moesten we van Ernst-Jan “verplicht” zwaaien naar het hotelpersoneel. Zwaaien bij het wegrijden was een gewoonte in Myanmar, ook op de startbaan werd er door het grondpersoneel gezwaaid als het vliegtuig wegreed naar de startbaan.

We stopten aan een platform waar 3 witte olifanten aan de ketting stonden. Witte olifanten waren erg zeldzaam en de eerste van de drie werd gevangen genomen in 2000 in de jungle bij de grens met Thailand. Zij zouden voorspoed en geluk brengen over het land maar het was zielig om die beesten daar te zien staan, zij konden helemaal geen poot verzetten door de veel te korte ketting. Enkel ’s morgens en ’s avonds mochten zij telkens anderhalf uur rondlopen. Een triest leven was dat.

Daarna bezochten we de grootste marmeren Boeddha van het land, liefst 12m hoog. Het kolossale blok marmer kwam uit Mandalay en werd vervoerd via de rivier. De rechterhand van de Boeddha was omhoog met de handpalm naar voor, dit wilde zeggen dat hij iedereen veiligheid wenste.

We stopten aan een gigantische boom waar geesten woonden die een veilige doortocht garandeerden. Heel veel chauffeurs stopten bij deze boom en gaven een donatie. Iedereen die een nieuwe wagen kocht, liet deze daar zegenen.

De laatste stopplaats van deze middag was een erebegraafplaats, de Taukkyan War Cemetery, met gesneuvelden uit de 2e WO. Op de zuilen stonden alle namen van de 27.000 gesneuvelden en er waren 6500 graven. De begraafplaats werd vlug verlaten omdat er aan de andere kant van de weg een paar huisjes stonden met mensen die we veel interessanter vonden dan het verleden.

Onderweg passeerden we vele tolhuisjes waar telkens tol moest betaald worden, een soort wegenbelasting die gebruikt werd voor het onderhoud van de weg. Het geld werd volgens mij wel ergens anders voor gebruikt want de weg lag vol gaten en putten waardoor we heel traag moesten rijden.

We zagen een gigantische rij wagens die aanschoven aan een CNG station (content national gas) Er waren maar 14 stations rond Yangon omdat er nog geen pijplijn was om meer stations te plaatsen. Er konden gemakkelijk 200 à 300 wagens aanschuiven en het duurde soms 1 à 2 dagen eer je eindelijk aan de beurt was. Veel tijd hebben was toch een zalig iets, zoiets konden wij ons gewoon niet voorstellen in onze drukke maatschappij.

Ook de andere benzine kon je maar beperkt tanken, je kreeg 1 à 2 gallons per dag. Vroeger kostte deze 600 kyat per gallon maar de prijs was gestegen tot 1500 kyat per gallon. Deze prijs was de staatsprijs maar aangezien je maar beperkt kon tanken moest je naar andere stations gaan waar je gemakkelijk 4000 kyat per gallon betaalde. Elke chauffeur moest ook betalen om b.v. te parkeren of om een brug over te rijden.

Er werd ook overal gecollecteerd langs de weg maar dit had dan te maken met religieuze doeleinden.

Tijdens onze rit van Yangon naar Kyaiktyo reden we door kleine en grotere dorpen. Myanmar telde 54 miljoen inwoners waarvan 6,5 miljoen in Yangon en 2 miljoen in Mandalay woonden. De bevolking was voor 80% boeddhist en er waren ook verschillende etnische groepen terwijl de officiële taal het Myanmar of Birmees was.

Volgens onze plaatselijke gids, Myo, waren we in het koude en droge seizoen. Ja, droog misschien wel maar koud konden wij het niet noemen want we vonden het erg warm. De plaatselijke bevolking daarentegen zag het anders.

In Bago, een oude koningsstad, gingen we lunchen in Kyaw Swa, een Chinees restaurant waar ze spring rolls hadden. Het viel me wel op dat in Bago veel gebedeld werd, er liepen constant schooiers om ons heen, dit hadden we in Yangon nauwelijks gezien.

Na de lunch reden we verder en we kwamen over een brug van 700 meter lang over de Sitdown rivier. De oorspronkelijke brug was gebouwd in 1922, verwoest in 1942 tijdens

WO 2 en dan terug opgebouwd in 1962. De brug was de enige verbinding en transportweg tussen noord en zuid en werd streng bewaakt omdat men vreesde voor aanslagen van rebellen. We mochten totaal geen camera bovenhalen of zelfs maar laten zien, anders konden we onmiddellijk rechtsomkeer maken.

Na de koffiestop passeerden we een gevangeniskamp voor zwaar gestraften. De gevangenen werkten in een steengroeve waar ze met pikhouwelen stukken uit de berg hakten. Iedereen zat hier 7 jaar maar velen overleefden die 7 jaar niet door het harde gevangenisleven. Zij mochten geen slippers dragen, kregen 1 maaltijd per dag van rijst en bonen en zij mochten geen enkel contact hebben met hun familie. Sommigen waren geboeid met kettingen rond hun middel en enkels.

Rond 16u45 kwamen we aan in het Mountain View Hotel, een soort resort gelegen middenin een plantage, een eindje van Kyaiktyo. ’s Avonds aten we gezamenlijk met de hele groep in het hotel.

 

Dag 5: zaterdag 4 november

We gingen de gouden rots van Kyaiktyo bezichtigen en daarbij hadden we 2 mogelijkheden: de lange pelgrimsroute lopen in ongeveer 4 uur of de bus nemen naar het basiskamp en van daar met een open truck tot net onder de rots.

De rots lag op 1120 m boven de zeespiegel en het basiskamp lag op 400 meter.

We kozen voor de 2e optie en eigenlijk hadden we nog geluk dat we als groep een truck voor ons alleen hadden. De lokale bevolking zat als haringen op elkaar op de bankjes geprest.

Eenmaal uit de truck hadden we terug 2 keuzemogelijkheden: of te voet naar boven langs een nogal steile weg of ons laten dragen in een draagstoel. We hadden geen zin om ons als koningen van Sheba te laten vervoeren en gingen lopen. De weg was inderdaad heel erg steil en soms voelde het aan alsof je tegen een muur opklom maar we namen onze tijd en rustten verschillende keren uit.

De gouden rots was één van de meest heilige heiligdommen van Myanmar. De stupa, een massief blok met bladgoud bedekt was 7,3 meter hoog en balanceerde op de rand van een klif op de top van de Mount Kyaiktyo. In de steen zaten drie haren van Boeddha en door de kracht van de drie haren viel de steen niet naar beneden.

Langs de zijkanten op het enorme platform stonden gebedshuizen voor de pelgrims. Veel pelgrims zaten met de ganse familie in de weinige schaduw die er was ofwel hadden ze doeken gespannen om toch een beetje uit de zon te zitten. Ze hadden eten en drinken bij om hier de nacht door te brengen.

De zon brandde genadeloos en je moest echt op de witte marmeren tegels lopen want de andere gekleurde en zwarte tegels waren bloedheet. De rots mocht niet door vrouwen aangeraakt worden, alleen de mannen mochten het laatste hek voor de rots passeren, de vrouwen moesten op afstand blijven.

Het hele gebeuren aan de rots was er één van boetedoening, aanbidding en devotie en we ondergingen en aanschouwden de magische sfeer die er hing.

Het pad naar beneden was niet zo geschikt voor de knieën doordat het zo steil afdaalde maar toch wisten we nu al dat dit één van de hoogtepunten van onze reis zou worden.

In heel wat tentjes in het basiskamp stonden 2 uiltjes, een vrouwtje en een mannetje, deze brachten voorspoed en rijkdom, deze uiltjes zouden we nog op heel wat plaatsen zien in Myanmar.

’s Avonds dineerden we terug met de hele groep, normaal gezien waren we niet zo een kuddedieren maar deze groep viel best mee en daardoor werd het telkens gezellig.

 

Dag 6: zondag 5 november

Deze morgen was het even schrikken, het bleek dat ze bij Mia en Etienne, de twee andere Belgen in de groep, ingebroken hadden en dan nog terwijl ze lagen te slapen, stel je voor! Het tasje van Mia met haar paspoort, vliegtickets, bankkaarten, treintickets, camera, zonnebril en de helft van hun geld was verdwenen. Er was ook nog een tasje weg met medicijnen. Er heerste een totale paniekreactie bij de hoteleigenaar, het personeel en onze plaatselijke gids Myo want zoiets was hier nog nooit voorgekomen. Bij aankomst in Myanmar had Ernst-Jan ons verteld dat Myanmar een veilig land was waar je niet echt alert moest zijn en constant op je spullen moest passen. Er ging dus een beetje een shockgevoel door de groep en wijzelf die altijd ’s nachts ons geld onder ons hoofdkussen stopten maar dit hier nog niet deden, namen ons voor om toch nog een ietsje alerter te zijn.

De politie kwam en met man en macht werd de hotelzone, die nogal uitgestrekt was aangezien we in een soort resort zaten met allemaal aparte bungalows, grondig uitgekamd. Na een uurtje kwam men inderdaad met de tas aangelopen. Het meeste zat er nog in behalve de zonnebril, camera, bankkaarten en het geld maar het was al belangrijk dat Mia haar paspoort en tickets terug had.

Met 45 minuten vertraging, wat al bij al nog dik meeviel, vertrokken we en op dat moment had de politie al voor 45% zekerheid wie het gedaan kon hebben. Van efficiëntie gesproken! De criminaliteit in dit land zou nog wel heel kleinschalig zijn als er op zo korte tijd al een oplossing in de maak was.

In Waw hadden we een koffiestop en daarna reden we door naar Bago waar we eerst zouden lunchen in hetzelfde restaurant als op de heenweg.

Onderweg waarschuwde Ernst-Jan de mannen dat ze onderweg zeker niet tegen een boom mochten plassen. Bij ons werd dat algemeen gedaan maar hier kon dat niet omdat er geesten in de bomen woonden en dan werden die erg boos omdat er tegen hun huis geplast werd. Als een man tegen de boom plaste, dan liet de geest een tak op het hoofd van de man vallen. Stond de man een eindje van de boom vandaan dan stuurde de geest een slang naar boven die “hem” er af beet. Hilariteit alom en iedereen in de bus lag slap van het lachen bij dit verhaal.

Na de middag bezochten we de Shwemawdaw pagode die werkelijk indrukwekkend was met zijn 114 meter hoogte. Het was de hoogste pagode van het land en telkens heropgebouwd na verschillende aardbevingen en het was een groot heiligdom van de boeddhisten in Myanmar. Aan de ingangspoort stonden 2 leeuwen en in de opengesperde muil van deze dieren zaten kleine Boeddhafiguurtjes. Dit was de enige plek in Myanmar waar je zoiets kon zien.

De Shwedagon pagode in Yangon was 100 meter hoog maar lag op een heuvel en was dus in werkelijkheid maar 58 meter hoog.

Daarna brachten we een bezoek aan het Koninklijk Paleis uit de 16e eeuw, langs de buitenzijde was het een schitterend gebouw maar van binnen was er niet zo veel te zien.

We bezochten ook de Shwethalyaung Boeddha, een liggende Boeddha van 55 meter lang en 15 meter hoog en 1011 jaar oud. Echt een enorm en prachtig exemplaar!

De bevolking van Myanmar verklaarde dat de Boeddha in een “relaxing” positie lag ipv de “dood” positie omdat de ogen open waren en de voeten niet parallel maar open en wijd uitstaand. Ook de rechterarm had een relax positie, de Boeddha steunde als het ware op die arm.

Als laatste hadden we nog een stop aan de Kyaik Pun Paya met vier zittende Boeddha’s uit de 15e eeuw die elk met de rug tegen een zijde van éénzelfde pilaar zaten. Ze waren 30 meter hoog en aanschouwden elk een kant van de omgeving. Spijtig genoeg waren ze één van de Boeddha’s aan het restaureren.

Aan een restaurant lieten we Ton, Réné, Ernst-Jan en Myo achter die met de nachtbus naar het Inle Lake zouden reizen. De rest van de groep had er voor gekozen om een binnenlandse vlucht te nemen. Voor ons was het dan nog een tweetal uurtjes rijden naar Yangon waar we nog een nacht in het Eastern Hotel verbleven.


Dag 7: maandag 6 november

Deze morgen vertrokken we om 8u15 naar de luchthaven voor de vlucht met Air Mandalay naar Heho. De vlucht had vertraging door de late aankomst van de vorige vlucht. Eerst moesten we alle grote bagage bij elkaar zetten, dan werd er een label aangedaan en alles werd dan langs de andere kant gezet. Daarna werd alles op een karretje geladen en naar de achterkant gevoerd, amper 5 meter verder. Daar werd alles op grotere karren gelegd om naar het vliegtuig te voeren, dus niet echt zo heel efficiënt allemaal, maar ja wat maakte het ook uit. Hier hadden ze tijd genoeg voor alles.

Toen we echter zagen hoe alle bagage op de tarmac vervoerd werd, hadden we de grootste twijfels of alle bagage wel op het juiste vliegtuig zou terecht komen. Maar achteraf bleken dit zorgen voor niets want alles was in orde. In al hun chaos en wanorde, hadden ze toch nog een zekere orde.

Na de security check kwamen we in een wachtruimte terecht met 2 gates die amper 7 meter van elkaar verwijderd waren. Alle vluchten werden met omhooggestoken bordjes aangekondigd, waarna je op een bus stapte die je 100 meter verder bracht naar het propellervliegtuig waarbij de stoelen onder de vleugels zaten. Er konden 48 personen plaats nemen in het vliegtuig, 2 personen aan elke kant. Het maakte een hels lawaai bij het opstijgen en alles trilde hevig maar uiteindelijk kwam alles op zijn pootjes terecht en om 12u40, na een vlucht van 1 uur en 15 minuten landden we in Heho waar het 27 graden was.

De bus stond al klaar om ons naar het Inle Lake te brengen, een rit van ongeveer 2 uur, waar we in het Primrose Hotel in Nyaungshwe zouden verblijven.

Het Primrose Hotel was een leuk hotel met aparte bungalows met een terrasje ervoor waar je lekker kon relaxen. We hadden geen zin meer om nog in het dorpje te gaan lopen en deden het een paar uur rustig aan met een biertje in de zetels op het terras.

’s Avonds gingen we eten in de Starflower, een Italiaans pizza en pasta restaurant, heel klein met amper 4 tafeltjes maar de pizza was wel heel lekker.

Rond 19u30 waren we alweer op onze kamer en genoten van deze rustige avond.

Tot nu toe vond ik deze reis heel vermoeiend, misschien mede door de extreme warmte en misschien ook wel door alle nieuwe indrukken die we kregen gedurende deze eerste week in Myanmar. We hadden al heel wat reizen gemaakt en heel wat gezien maar deze reis was wel echt indrukwekkend. Ernst-Jan had dit aan het begin trouwens voorspeld dat dit geen reis was waarbij we ook nog een nachtleven zouden kennen maar dat iedereen meestal rond 21u in bed zou belanden. Dit was ook zo, het was zelfs al vroeger geweest. Het meest late uur was 21u30, stel je voor! En dat noemen wij dan vakantie! Maar……. we zouden het voor geen geld willen missen.

 

Dag 8: dinsdag 7 november

Deze dag konden we een trekking van een halve dag maken of fietsen huren maar wij opteerden ervoor om door het dorpje Nyaungshwe te dwalen, mensen te bekijken en de sfeer op te snuiven. Het was een kleinschalig, heel gezellig en authentiek dorpje en we liepen door de nauwe straatjes en namen de tijd om alles goed te bekijken en foto’s te nemen.

De Mingala markt waar ze locale producten zoals Shan noedels, groenten en fruit verkochten, was een bezoekje waard. Iedereen was heel vriendelijk en het was geen enkel probleem om foto’s te nemen. Het enige probleem was dat iedereen ging poseren zodra ze opmerkten dat je aanstalten maakte om een foto te nemen. Het was dus zaak om zo onopvallend mogelijk te werk te gaan en de zoomlens optimaal te gebruiken om zo natuurlijk mogelijke foto’s te hebben.

Wat ons wel opviel, was dat er niet zo heel veel van die oude, karakteristieke vrouwtjes te zien waren dus of die bleven thuis of mensen leefden hier niet zo lang.

Er waren een paar stalletjes met souvenirs maar niemand viel ons lastig om toch maar iets te kopen, een hele verademing ten opzichte van andere landen.

Daarna liepen we naar het kanaal waar de boten vertrokken naar het beroemde Inle Lake. Aan één kant was het een hectische bedrijvigheid van het lossen van hele grote manden tomaten, die dan ingepakt werden in houten kistjes, deze kistjes werden dicht gespijkerd en zo waren ze klaar voor transport. Boten vaarden af en aan op het kanaal en het was leuk om dit een tijdje gade te slaan.

Bij Mee Mee’s restaurant aten we een snack waarna we naar het hotel terug liepen. Het regende een tijdje en door de regen was de temperatuur al een heel stuk aangenamer en was het niet zo heet.

In het dorpje zagen we verschillende borden bij een aantal huizen staan met de melding dat je hier kon internetten. Telkens we naar binnen gingen en vroegen voor internet kregen we hetzelfde antwoord: “no power”. Ook telefoneren naar het buitenland ging niet, we waren hier echt volledig afgezonderd van de buitenwereld.

We konden wel geloven dat er te weinig elektriciteit was want elke keer dat in de hotelkamer het kleine ijskastje (ja ja we hadden een minibar op de kamer) aansloeg, verminderde de sterkte van de lampen in de kamer, dus hoe zou een computer in godsnaam degelijk kunnen werken op deze manier?

Deze avond gingen we eten in het Htoo Htoo Aung restaurant dat vermeld stond in de Lonely Planet. Het was een heel klein restaurant met amper 5 tafeltjes en ze serveerden er traditionele Shan en Myanmar maaltijden en dat was wel heel apart en lekker.

 

Dag 9: woensdag 8 november

Het had de ganse nacht heel hard geregend en toen we deze morgen uit bed stapten, was het hier ook van “no power” met andere woorden er was geen elektriciteit en als klap op de vuurpijl kwam er ook geen druppel water uit de kraan. Na een klein half uurtje geduld oefenen en ons alvast “gewassen” te hebben met onze wetties, was alles weer in orde.

Na het ontbijt vertrokken we om 7u30 voor een dagtrip naar het Inle Lake dat 22 km lang en 11 km breed was en gelegen op een hoogte van 875 meter boven zeeniveau. Het meer lag in de provincie Shan en hier leefde dan ook de Shan bevolkingsgroep. Het meer was wereldberoemd door de vissers die met hun benen roeiden en iedereen zal wel al een foto van deze vissers gezien hebben.

We stapten per 5 à 6 personen in een lange smalle boot, een soort lancha zoals in Zuid-Amerika, voeren langs het kanaal en staken het Inle Lake over. Aan het begin van het meer kregen we een uitgebreide demonstratie van de vissers die hun roeispaan omklemmen met 1 been zodat ze de handen vrij hebben om hun netten uit te gooien.

We stopten aan een markt waar we eerst doorheen een paar souvenirstalletjes moesten om dan aan de eigenlijke markt voor de lokalen te komen. Deze markt was een echte belevenis mede door de smalle paadjes tussen de stalletjes die één en al modder waren door de zware regenval van de afgelopen nacht. Gelukkig hadden we sandalen aan want op korte tijd zaten onze voeten onder de smurrie. Sommige lokalen hadden rubberen laarzen aan waarmee ze lustig door de modderbrij plensden waarbij de modder langs alle kanten opspatte. Prachtig gewoonweg!

De volgende stop was een zijdeweverij waarin we niet echt geïnteresseerd waren en met een zestal personen waaronder Ton, Herman, Jan-Willem en René doken we de bar binnen om ons eerste biertje van deze dag te drinken.

We bezochten nog een aantal kunstnijverheidswerkplaatsen waaronder een gereedschapssmid en een cherootfabriekje waar een zestal meisjes werkten die elk 100 sigaren per dag maakten.

We hadden lunch in een restaurant aan het water waarna we de Paungdawoo Paya konden bekijken, de heiligste religieuze pagode in het zuiden van de Shan provincie. Vijf Boeddhafiguurtjes stonden op een altaar in het midden van het gebouw en weer mochten de mannen bij het altaar komen maar de vrouwen niet.

Hierna volgde een stop bij een Boeddhabeeldenmaker die ons het proces uitlegde hoe zo’n beeldje gemaakt werd.

Als laatste gingen we met de boot door de drijvende tuinen waar we hele rijen tomatenplanten zagen en we bezochten ook de Ngaphekyaung Monastery, the jumping cat monastery. Ook hier moesten we eerst door hele rijen souvenirstalletjes voor we aan de zaal met Boeddhabeelden en springende katten kwamen. Dit klooster bevatte 75 Boeddhabeelden en er stonden meer dan 600 pilaren. Het altaar waarop de beelden stonden, was gemaakt uit één blok hout van 72 meter lang.

We kregen een korte voorstelling van de katten die door een hoepeltje sprongen, waarna ze telkens beloond werden. Deze kunstjes werden hen geleerd door zich vervelende monniken. 

Gedurende de hele boottocht vaarden we door smalle geulen tussen de huizen door die op palen in het water stonden. Het was heel leuk om het dagelijkse leven van deze Shan mensen gade te slaan. Alles, zoals naar de markt gaan, kinderen van en naar school brengen, gebeurde hier per boot en op het einde van deze tocht waren we weer een hele ervaring rijker en wisten we dat het Inle Lake ook één van de hoogtepunten van deze reis was.

’s Avonds was er een voorstelling van lokale dansen en muziek in het hotel maar daar hadden we geen belangstelling voor en we waren niet de enigen want amper de helft van de groep was present.


Dag 10: donderdag 9 november

Deze morgen vertrokken we om half acht en na amper een kilometer rijden stopten we al aan het Shwe Yaunghwe Kyaung, een 18e of 19e eeuws teakhouten klooster met ovalen ramen. Toen we aankwamen, stonden de jonge monniken voor de ovalen ramen, heel fotogeniek allemaal en er werden dan ook heel wat foto’s “geschoten” zoals onze Nederlandse reisgenoten zeiden.

In de hal binnenin stonden Boeddhabeelden van diverse ouderdom. Naast het klooster stond een wit gebouw met ontelbare nissen met Boeddhabeelden en altaren met mooi glasmozaïek.

Na ongeveer anderhalf uur rijden, hadden we een koffiestop in Aungban waarna we verder reden naar Pindaya waar we eerst lunchten en daarna de Pindaya grotten gingen bekijken. Deze grotten waren werkelijk magnifiek, gewoonweg met geen woorden te beschrijven. Eerst kwamen we in een grote ruimte met middenin een stupa en eromheen ontelbare Boeddhabeelden. Je kon tussen de beelden lopen op smalle paadjes en voorbij de stupa kon je 4 verschillende zijkamers in die ook vol stonden met Boeddhabeelden. Officieel waren er in totaal 8094 beelden maar dit zou al achterhaald zijn want er kwamen er altijd maar bij. De beelden waren uit verschillende materies gemaakt zoals albast, teak, marmer, steen, lakwerk en cement. De hele grot was een labyrint van gangetjes met overal om je heen allerhande Boeddhafiguren. Deze grot was één van de mooiste dingen die we tot nu toe gezien hadden, alhoewel sommigen misschien zouden zeggen dat het één en al kitsch was, toch heerste er een magische sfeer en het was één van de meest indrukwekkende bezienswaardigheden in Myanmar en ook weer een hoogtepunt van de reis.

In Pindaya bezochten we ook een werkplaats waar parapluutjes gemaakt werden die door de lokale bevolking gebruikt werden om zich te beschermen tegen de brandende zon tijdens hun korte pauzes bij het werken op de velden.

Het gebied tussen Pindaya en Kalaw was akkerbouwgebied met grote plantages met aardappelen, broccoli, bloemkool, look, ginger, sesam enz. Deze plantages waren in handen van private maatschappijen die hier veel investeerden. Sommige families waren eigenaar van een truck waarmee ze de goederen dan transporteerden.

Het landschap onderweg was glooiend en heel mooi met grote koolzaadvelden die volop in bloei stonden.

Vanuit de bus zagen we een groot, nieuw hospitaal met 700 bedden. Wanneer iemand hier opgenomen werd, moest die een brief voorleggen van de gemeente. Op die brief stond de familielijst waarvan je afkomstig was, de job die je deed en het inkomen dat je verdiende. Ieder inwoner van Myanmar had ook een identiteitskaart en volgens je inkomen moest je dan 100% of 50% betalen. De rijken die bv een winkel hadden of eigenaar waren, betaalden 100% en de armen betaalden 50%.

Na 150 km rijden (om de Pindaya grotten te bezoeken, moesten we 80 km omrijden langs kleine hobbelige wegen vol putten en bulten maar dat hebben we ons geen minuut beklaagd en we zouden het voor geen geld willen missen hebben) kwamen we aan in Kalaw, een voormalig Engels stadje in de heuvels, gelegen op 1320 meter en daardoor was het hier ook heel wat frisser.

Deze avond gingen we eten in het Myanmar Flower restaurant juist om de hoek van het New Shine hotel waar we logeerden. Het was er stikdonker want de elektriciteit was uitgevallen (alweer!) Het was echter geen enkel probleem om er te eten, er werden onmiddellijk een reeks kaarsen op onze tafel gezet en op die manier hadden we nog een onverwacht romantisch dineetje met twee onder kaarslicht.

 

Dag 11: vrijdag 10 november

We konden kiezen uit 3 verschillende trekkings maar we kozen voor een stadswandeling onder begeleiding van Ernst-Jan.

Ton, Jeannette, Kees en Ramses waren ook van de partij en zo gingen we om 9u met 7 personen op pad. Eerst gingen we het kleine stationnetje bekijken. Kees had een korte broek aan en de meisjes die de eetstalletjes bemanden, lagen in een deuk van het lachen om zijn blote benen. Zoiets was hier echt “not-done”.

We liepen langs kleine straatjes en huisjes van de lokale bevolking en kwamen op die manier bij het Kalaw Hotel, een koloniaal hotel dat in privé bezit was. We mochten het restaurant en de kamers bezichtigen die werkelijk prachtig en heel ruim waren. Er waren momenteel 4 gasten in het hotel die 50$ per nacht betaalden wat een fortuin was in dit land.

We liepen voorbij een aantal staatswoningen waar mensen in dienst van de staat zoals leraars mochten wonen. Na 5 jaar dienst was deze woonst zelfs gratis met dien verstande dat ze deze weer moesten verlaten bij pensioengerechtigde leeftijd. Aangezien deze mensen heel weinig verdienden en amper konden sparen, moesten ze daarna bij één van hun kinderen gaan inwonen.

We bezochten de 300 jaar oude Shwe Oo Min pagode en de grot met ontelbare Boeddhabeelden en heel veel lichtjes. Vroeger dacht ik dat de flikkerlichtjes rond het hoofd van een Boeddha gewoon versiering was maar dat bleek niet zo te zijn want dit was echt de verlichting die Boeddha uitstraalde. Weerom kon men zeggen dat het één en al kitsch was maar toch was het een bezoekje waard. Dit was echt een land waar je maar bleef filmen en foto’s maken.

Aan de buitenkant van de grottempel hing een enorm bijennest met joekels van bijen eromheen.

Voor de grot stonden een aantal pagodes wat ook een speciaal schilderachtig uitzicht gaf.

We passeerden een aantal stalletjes en in het laatste gingen we een coffee mix drinken, een zakje koffie met melk en suiker dat je kon oplossen in heet water. Het was best te drinken alhoewel het tamelijk zoet smaakte.

Onderweg zagen we mooie bloemen en kerstrozen die niet, zoals bij ons, kleine plantjes waren maar heel grote struiken en bomen.

Kalaw was een klein, gemoedelijk Brits hillstation met een aangename koele temperatuur (alhoewel het tijdens de dag best warm was in de zon) en mooie houten huizen. Her en der stonden prachtig opgeknapte landhuizen van lokale filmsterren.

In Kalaw woonden ook vrij veel Nepalezen die meegekomen waren met de Britten toen ze hier vochten tegen de Japanners.

’s Middags gingen we eten bij Thazin, een gepensioneerde burgemeester die zijn schamel pensioentje van 600 kyat per maand aanvulde door het runnen van een eethuis. De man was 82 jaar maar nog heel monter en kwiek en hij werd bijgestaan door zijn 2 dochters. Het restaurant was een pareltje van netheid en het eten was subliem, een echte aanrader. De man had een boek waar iedereen iets kon inschrijven en dat hebben we dan ook maar gedaan.

In de namiddag bezochten we de centrale markt waar het aangenaam lopen en kijken was terwijl iedereen ons vriendelijk toelachte en begroette. Aan een stalletje liet ik een nieuw lederen horlogebandje plaatsen aan mijn Camel horloge, kostprijs 3000 kyat en dat is ongeveer € 1,65, werkelijk spotgoedkoop was alles hier.

’s Avonds gingen we eten in het Thirigayhar Restaurant of The Seven Sisters, een cottage op de hoofdweg dat enkel door toeristen bezocht werd. We aten Indische tikka massala en chicken vendura, een pikant curry met een speciale en lekkere smaak.

 

Dag 12: zaterdag 11 november

We vertrokken om 7u30 want we moesten 275 km afleggen naar Mandalay waar de temperatuur terug hoger zou liggen dan in Kalaw, onze gids Myo sprak terug over 34 à 35 graden.

Eerst reden we nog door bergachtig gebied met smalle en slechte wegen met langs de ene kant een diepe afgrond maar algauw werd het vlakker en zagen we weer de mensen werken op de velden, de ossenkarren en hooiwagens, heel gaaf om alles te bekijken vanuit de bus.

Op zeker moment was de weg versperd door een ongeval met een vrachtwagen en daarom moesten we een omweg maken. Het restaurant waar we zouden lunchen, lag op de oorspronkelijke weg maar volgens Myo was er op de andere weg ook een groot restaurant. Toen we daar echter stopten, was de kok niet aanwezig, dus maar weer verder.

Even verder stopten we aan een ander, kleiner Chinees restaurant waar ze helemaal in paniek sloegen toen daar opeens 23 personen binnenstapten. We konden kiezen uit een viertal gerechten en dachten dat alles daardoor wel erg vlot zou gaan. Dat bleek algauw niet zo te zijn en de hele familie ( moeder zat aan de kassa, dochter en 2 kleine jongens bedienden) liep met borden heen en weer terug en hadden onderling een hele discussie. Myo had aan elkeen al 3 keer uitgelegd welk gerecht waar naar toe moest maar zo simpel lag het niet en het had heel wat voeten in de aarde eer iedereen bediend was. Maar ook dit was Myanmar en zulke dingen maakten het alleen maar leuker en leuker. Dit was echt genieten!

Op deze lunchplaats was het al duidelijk dat de temperatuur hier hoger lag want het was echt al bloedheet.

Daarna was het nog ongeveer 2u rijden naar Mandalay, Myanmars tweede grootste stad. Toen we de stad binnen reden, bleek het ons één en al drukte, herrie stof en stank maar waarschijnlijk had ook deze stad zijn charmes die we de volgende dagen zouden ontdekken.

We logeerden in het Hongta Hotel in de 82e Street. De straten in Mandalay hadden allemaal een nummer en de stad was onderverdeeld in vierkante blokken dus het was praktisch uitgesloten om hier te verdwalen.

Na een uurtje uitleg van Ernst-Jan gingen we eten bij Mann waar bijna de hele groep zat en het werd terug een heel gezellige avond.


Dag 13: zondag 12 november

Met Etienne en Mia huurden we een taxi voor een hele dag en gingen de grootste bezienswaardigheden van Mandalay bezichtigen. De taxi was een kleine, blauwe pick-up met achteraan twee bankjes.

We startten onze tocht met het beklimmen van de trappen van de 230 meter hoge Mandalay Hill. Onderweg kwamen we verschillende tempeltjes en altaren met Boeddhafiguren tegen waaronder de Peshawar Relics met drie benen van Boeddha. We zagen ook een immens groot, rechtstaand beeld van Boeddha die met een uitgestrekte hand wees in de richting van het koninklijk paleis van Mandalay.

Achtereenvolgens bezochten we Kuthodaw Paya met het grootste boek ter wereld waar in 729 marmeren stenen de volledige tripitaka gekerfd was, de Sandamani Paya en de Kyauktawgyi Paya. De Shwenandaw Kyaung, ook Golden Palace Monastry genoemd, was niet alleen interessant omdat het een klooster was dat volledig gebouwd was uit hout maar het herinnerde ook aan het oude Mandalay Palace waar het eens een deel van was. Binnen en buiten waren er mooie panelen uitgekerfd dat het leven van Boeddha uitbeeldde. Daar juist naast was de Atumashi Kyaung dat mooi was van buiten maar van binnen één grote, lege en niet zo interessante hal was.

Daarna gingen we lunchen in de Golden Lion met aansluitend een bezoek aan het koninklijk paleis. Eerst moesten we een kaart kopen van 10$ waar we een aantal bezienswaardigheden konden mee bezoeken maar waarbij we wel een paspoort moesten laten zien. Bij elk bezoek aan één van de deelnemende bezienswaardigheden werd je naam en paspoortnummer vermeld, kwestie van controle wat je hier allemaal uitgespookt had gedurende de tijd dat je in Mandalay verbleef. Bij het koninklijk paleis werd het uur van binnenkomen maar ook het uur van weggaan genoteerd en moest je tekenen. Dit alles gebeurde aan een tafel bemand door een zestal soldaten van het leger.

Daarna reden we naar een werkplaats waar flinterdunne stukjes bladgoud gemaakt en verpakt werden die dan door de mannen konden aangebracht worden op de Boeddhistische heiligdommen. Deze blaadjes moesten met de hand geplet worden en een paar werknemers pletten deze stukjes met een hamer van een vijftal kilo. Ze werkten één uur aan een stuk, hadden één uur pauze en zo verder en dat 12 uur per dag. De blaadjes bladgoud bestonden in alle maten en voor een pakje van 10 stukjes bladgoud van een klein formaat betaalde je 4000 kyat.

Daarna reden we naar het heiligste der Boeddhisten in Mandalay, de Mahamuni Paya. In Myanmar waren 3 grote heiligste heiligdommen en dat waren de Shwedagon Paya in Yangon, de gouden rots in Kyaiktyo en de Mahamuni In Mandalay. Als Boeddhist moest je deze drie heiligdommen zeker bezocht hebben.

De pagode was werkelijk overbevolkt met honderden devote Boeddhisten maar nog meer op sensatie beluste toeristen. Het beeld van de Mahamuni Boeddha was 4 meter hoog en oorspronkelijk in brons maar door de jaren heen werden er steeds meer lagen bladgoud aangebracht door mannelijke Boeddhisten (yes, women were not allowed) zodat het beeld momenteel bedekt was door een 15 cm dikke laag bladgoud.

Dit alles was wel het aanschouwen waard ware het niet dat de vrouwelijke Boeddhisten in aanbidding voor de Mahamuni verdrukt werden door vrouwelijk toeristen die toch maar de mooiste foto wilden hebben van het beeld. Walgelijk gewoonweg! De vrouwelijke Boeddhisten die niet bij het beeld mochten komen, gaven hun stukjes bladgoud aan een bewaker die ze dan doorgaf aan mannelijke toeristen die wel bij het beeld mochten komen!

We hadden op dit moment de drie grote heiligdommen van Myanmar gezien en dit vond ik wel het allerminste door het schandalige gedoe van meestal Duitse toeristen die geen greintje respect toonden voor de aanbidding en devotie van de lokale bevolking. Bij de andere twee heiligdommen hadden we deze zaken gelukkig niet gezien en overheerste de authenticiteit.

Na dit bezoek reed onze taxichauffeur ons naar de haven, meer bepaald het gedeelte waar ze bamboe bewerkten. Toen we in de buurt kwamen, zagen we de straten en de huizen al veranderen en wisten we dat we nu echt in de achterbuurten of armere buurten terecht kwamen. Hier konden we dus het echte leven zien van de armere Birmezen, wat best een hard leven was met hard werken, weinig verdienen en niet alleen het goud en de glitter van de pagodes.

’s Avonds gingen we terug bij Mann eten waar andermaal bijna de ganse groep zat. Bij het teruglopen naar het hotel kochten we 2 cd’s met Birmese harpmuziek.

Toen we in de hal van het hotel kwamen, zaten daar Ton, Jeannette, Herman en Jan-Willem en we sloten ons bij hen aan. Op de duur zat daar weer bijna de helft van de groep en weer was het hartstikke gezellig.

 

Dag 14: maandag 13 november

We maakten een excursie naar Sagaing en Amarapura waarbij we eerst stopten aan de Shwe In Bin Kyaung in Mandalay zelf, een groot en mooi houten klooster uit 1895 waarbij de deuren, balustrades en het dak prachtig ingekerfde figuren hadden. Het was er rustig en we waren de enige bezoekers. In de straat aan het klooster liepen honderden bedelende monniken op blote voeten en met hun bedelnap onder de arm van huis naar huis om te bedelen voor rijst en groenten.

In Sagaing bezochten we een zilversmid en een werkplaats van terracotta waterpotten maar andermaal trokken de omliggende huisjes en mensen meer onze aandacht dan het pottenbakken zelf.

De Sagaing Hill met zijn 500 stupas, ontelbare kloosters en ongeveer 6000 monniken, reden we op in pick-up trucks. In de Umin Thounzeh stonden 45 Boeddhabeelden in een halve cirkel. We bezochten ook de Soon U Ponya Shin Paya waar we eveneens een geweldig uitzicht hadden over de omgeving.

We lunchten in Sagaing bij Panwar, een klein Birmees restaurant waar de eigenaar ons een uitleg gaf over het eten waarna we nog even de markt verkenden om tenslotte naar Amarapura te rijden met zijn beroemde U Bein’s brug.

We liepen over de 1,2 km lange teakhouten, fotogenieke brug over het Taungthaman Lake. De 200 jaar oude brug was één van de meest gefotografeerde bezienswaardigheden van Myanmar. Het was leuk om over de brug te wandelen met de monniken en de lokale bevolking met een fiets aan de hand. In het meer stonden mannen en vrouwen tot hun middel in het water om een visje aan de haak te slaan. Aan de overkant gingen we met Ton, Herman en Jan-Willem in de zetels zitten aan de oever van het meer met een Myanmar biertje endit was pas echt genieten. Ton regelde algauw twee bootjes die ons moesten terug brengen naar de overkant en zo konden we van op het water de brug bekijken. Spijtig genoeg zaten we voor de zonsondergang aan de verkeerde kant van de brug dus dat hebben we gemist.

’s Avonds aten we (voor de verandering) met Ton en Jeannette nog maar eens bij Mann.

 

Dag 15: dinsdag 14 november

We vertrokken terug om half acht met fietstaxi’s naar de haven. Bij deze fietstaxi’s zit je rug aan rug naast de fiets en niet zoals in Indonesië zij aan zij.

In de haven stapten we op een boot naar de overkant van de rivier waar Mingun lag. Van ver zagen we al de onvoltooide Mingun Paya liggen. Deze pagode had de grootste ter wereld moeten worden maar koning Bodawpaya stierf voordat ze afgewerkt was. Het bakstenen gevaarte was in de loop der tijden heel erg beschadigd geraakt door erosie en een aantal aardbevingen.

We zagen ook de gigantische bronzen Mingun Bell, de grootste niet-gebarsten klok ter wereld die 55555 viss woog (1 viss was 3,6 pound) en 4 meter hoog en 5 meter breed was aan de onderkant.

In de Molmi Paya stond een groot bronzen beeld van Molmi Sayadaw, een monnik die 60.000 bladzijden Boeddhistische tekst uit zijn hoofd kon opzeggen.

Als laatste kwamen we de HsinByume Paya tegen, de pagode met de witte gewelven die momenteel op het voorblad van de nieuwste editie van de Lonely Planet stond.

Langs de weg stonden ontelbare souvenirstalletjes, kunstgallerijen en eetstalletjes en het was leuk om alles te bekijken.

Met de fietstaxi reden we terug naar het hotel waar we rond 12u30 aankwamen. We hadden een rustige namiddag, gingen bellen naar huis, liepen wat door de straten en deden verder niets.

’s Avonds gingen we eten bij Lashio Lay restaurant, een Shan restaurant waar je aan een buffet uit een aantal gerechten moest kiezen en aanduiden wat je wilde hebben. De jongens die bedienden, hadden allen een geel, groen en rood Shan vlagje op hun shirt.


Dag 16: woensdag 15 november

Deze morgen moesten we om 6u vertrekken naar de haven waar we de snelle Malikhaboot zouden nemen naar Bagan. De stoelen stonden nogal dicht op elkaar maar je kon ook buiten op het bovendek in de zon gaan zitten wat we ook een hele tijd deden.

Rond 13u kwamen we aan in Bagan waar we nog een klein stukje met de bus moesten rijden naar het Golden Express Hotel even buiten Nyaung-U, een leuk hotel met zwembad en aparte blokken met een aantal kamers en een mooie tuin.

Na de uitleg van Ernst-Jan gingen we lopen naar het plaatsje Nyaung-U aangezien ons hotel een kleine kilometer van het centrum gelegen was.

Langs de straat naar het dorpje was het gezellig lopen met allemaal restaurants, souvenirshops, markt en eetstalletjes. Aan de Shwezigon Paya was een grote markt met kleine en grote terracottapotten. Prachtige potten gewoonweg waar ze in ons land fortuinen voor vroegen en die je hier kon kopen voor een habbekrats maar de vraag was, hoe neem je die mee?

We gingen eten bij Pyi Sone Restaurant niet ver van het hotel.

’s Avonds nam ik nog een douche waarbij ik lelijk ten val kwam. Je moest hier douchen in een badkuip waar je eerst moest instappen en waarin een gedeelte bedekt was met antislip bobbeltjes. Aan de uiteinden van de kuip waren geen bobbeltjes en toen ik een stap opzij deed om de shampoo te nemen, gleed ik uit en zonder dat ik tijd had om me te verweren, kwam ik met mijn bovenste tanden op de rand van het bad terecht. Het kraakte verschrikkelijk en ik dacht dat ik een paar tanden kwijt was. Er waren echter maar een paar kleine stukjes af maar door de slag zaten mijn tanden in mijn onderste lip en die bloedde enorm. Op het eerste zicht was het een heel drama door al het bloed dat in de badkuip liep. Ik had ook mijn schouder flink pijn gedaan maar achteraf bekeken had ik enorm veel geluk want het had allemaal veel erger kunnen zijn.

 

Dag 17: donderdag 16 november

Het ontbijt namen we in dit hotel in de tuin onder Myanmarse paraplu’s, heel leuk allemaal en verwonderlijk voor ons om half november nog buiten te zitten ontbijten. In dit hotel konden we buiten de gebruikelijke eieren ook pannenkoekjes krijgen en daar werd gretig gebruik van gemaakt. Tot nu toe kregen we in elk hotel elke morgen 2 eieren en toast en op de duur werden we de eieren wel kotsbeu. Ikzelf had het geluk dat hier nog pannenkoekjes te krijgen waren want door mijn pijnlijke mond en tanden kon ik de toast helemaal niet kauwen.

Na het ontbijt huurden we fietsen en volgden de route die Ernst-Jan voor ons had uitgestippeld. We fietsten het dorpje Nyaung-U door en reden richting zuiden waar we de eerste tempel bezochten, de Tayokpyi Paya waar we een prachtig uitzicht hadden over de omgeving die bezaaid was met ontelbare tempels. Dit was ook niet te verwonderen als men wist dat er ongeveer 4000 tempels stonden in Bagan. Officieel waren het er 2296 maar ze hadden er op dit moment al een drieduizendtal gerestaureerd en men schatte dat er nog een duizendtal te doen waren dus het officiële aantal klopte al lang niet meer. Het was een magische ervaring om tussen de tempels door te fietsen, overal om ons heen, waar men ook keek stonden tempels.

In Bagan had je 2 soorten tempels, de ronde stupas zonder ingang waar je niet in kon en de tempels met 4 ingangen.

We reden door Min-Nan-Thu Village, waar we in een klein koffieshopje samen met Ton koffie dronken, en verder door West Pwasaw Village met zijn kleine huisjes, mensen, ossenkarren en geitenhoeders en bekeken het dagelijkse leven van deze bevolking. Werkelijk subliem allemaal, deze mensen hadden weinig maar waren waarschijnlijk veel gelukkiger dan wij waren in onze jachtige en drukke maatschappij waar we altijd maar meer en meer wilden.

Van op voorhand had ik een aantal van de meest interessante of bezienswaardige tempels aangestipt die we wilden zien omdat we niet als een kip zonder kop alle tempels zouden binnenlopen om na een paar uur een tempelallergie op te lopen.

We bekeken de Dhamma-ya-za-ka Zedi, een prachtige gouden pagode waar we ook een mooi zicht hadden op de omgeving van op het hoogste terras.

We fietsten naar New Bagan en lunchten bij Sunset Garden waar veel toeristenbussen kwamen en het ook heel duur was (naar Birmese normen dan toch, alhoewel een volledige maaltijd voor 2 personen amper 7 euro kostte) en waar ze ook nog eens 20% commissie rekenden.

We fietsten verder naar het noorden richting Old Bagan en bekeken nog de Gawdawpalin Paya die er van buiten heel indrukwekkend uitzag en waar binnenin langs de 4 muren tien Boeddhafiguren en zoals in alle tempels in Myanmar heel veel doorzichtige donatieboxen met veel geld erin stonden. Het hoogste terras was echter gesloten voor bezoekers en dit was ook zo in bijna alle hoge tempels in Bagan.

Even verder stond de Mahabodhi die gebouwd was naar een evenbeeld van de Mahabodhi in India.

Het was bloedheet gedurende de ganse dag en het fietsen in die hitte was best lastig en zo besloten we om de rest van onze selectie te bezichtigen tempels te bewaren voor morgen en nu een welverdiende douche te gaan nemen in het hotel na eerst een Myanmar bier gedronken te hebben in Pyi Sone.

’s Avonds hadden we geen zin meer om nog te gaan eten en we bleven relaxen op onze hotelkamer waar de elektriciteit een paar keer uitviel maar daar keken we niet meer van op want zoiets gebeurde regelmatig in heel Myanmar.

 

Dag 18: vrijdag 17 november

We gingen terug fietsen ondanks onze stramme spieren en pijnlijk achterste want we waren het nu eenmaal niet gewend om veel te fietsen. Maar we moesten nog een paar tempels bekijken dus zat er niets anders op.

Eigenlijk konden we ook nog een paard en kar huren voor een dag maar we wilden niet opgeven en gingen toch maar fietsen.

We begonnen onze trip bij de Ananda Pahto, één van de grootste, mooiste , best bewaarde en meest bezochte tempels van Bagan. We namen deze keer de zandwegen in plaats van de hoofdwegen wat wel vermoeiend was maar dit gaf weer een andere dimensie aan het fietsen tussen de tempels. We moesten ook wel meer zandwegen nemen want de tempels die we wilden bezoeken, waren meer in het binnenland gelegen. Niet ver daarvandaan stond de That-byin-nyu tempel, de hoogste van Bagan met zijn 63 meter.

We fietsten naar de Shwesandaw pagode, wereldberoemd voor de mooie zonsondergangen.

’s Avonds was het drummen van het vele volk maar tijdens de dag was je er meestal alleen en ik beklom de wel erg steile en gevaarlijke trappen om het wondermooie uitzicht te hebben op de omgeving. Naast de pagode stond een laag stenen gebouw met een liggende Boeddha.

Daarna fietsten we de verkeerde kant op en we kwamen op een smal wegeltje met veel mul zand waar we nauwelijks doorheen konden fietsen. Het was meer dan ploeteren en het zweet barstte ons uit. Ernst-Jan had ons gezegd dat als we in mul zand terecht kwamen, dat we dan moesten blijven trappen maar hier was bijna geen doorkomen aan. We beseften dat we totaal verkeerd gereden waren en keerden dan maar om en na een tijdje zoeken, vonden we de juiste weg naar de Dhammayangyi Pahto uit de 12e eeuw.

Na hier kort rondgekeken te hebben, reden we naar de Sulamani Pahto, een pareltje van een tempel met zijn verschillende muurschilderingen.

Ons persoonlijke lijstje van “niet te missen tempels” was daarmee afgewerkt en we hielden het voor bekeken en fietsten terug naar Pyi Sone waar we lunchten en nadien de fietsen inleverden.

Na de broodnodige douche gingen we wandelen naar het dorpje maar toen we Pyi Sone voorbijliepen zaten Ton, Jeannette, Herman, Jan-Willem en René op het terras en dus bleven we ook maar een biertje drinken. Deze reis hadden we een leuke groep, er werden geen kliekjes gevormd en je kon met iedereen een babbeltje slaan, werkelijk heel erg aangenaam, we hadden het ook al anders meegemaakt.

Na het biertje gingen we de markt bekijken en wat rondslenteren. Het dorpje was niet zo erg groot en na een tweetal uurtjes waren we weer in het hotel.

’s Avonds gingen we nogmaals eten bij Pyi Sone, heel gemakkelijk, niet ver van het hotel, lekker eten en weer was bijna de ganse groep aanwezig.

Om 20u30 waren we alweer op onze kamer en we lagen weer vroeg in bed.


Dag 19: zaterdag 18 november

Deze voormiddag gingen we Mount Popa bezoeken, een tempel gelegen op een hoge klif die je kon bezoeken door de 777 treden te beklimmen. Van boven af had je een weids uitzicht over de omgeving. We hadden echter geen zin in trappen klimmen en met een paar mensen van de groep bleven we beneden in het straatje lopen en vanuit een koffieshop bekeken we de mensen.

Op de terugweg bezochten we een palmplantage waar ze uit het sap van de palm snoepjes en drank maakten. Dit was weer een leuke stop in deze heel gevarieerde reis.

Na de lunch in, ja hoe kan het ook anders, Pyi Sone liepen we door wat achterafstraatjes waar we door een meisje uitgenodigd werden om in haar huis thee te drinken. Het werd een leuk gesprek en we kregen ook nog een presentje. Omdat we niets bij hadden om terug te geven, liep ik terug naar het hotel waar ik nog een paar zeepjes, zakjes shampoo en suiker had. Bij het terug lopen kwamen we Ton en René tegen die dan maar mee liepen naar het huisje waar we nu met zijn vieren hartelijk ontvangen werden. Moeder en vader hadden 4 dochters en 1 zoon en we kregen het adres op een stukje papier om de foto’s op te sturen. Dit was terug een geweldige ervaring om de gastvrijheid en de vriendelijkheid van deze mensen van zo kort bij mee te maken.

’s Avonds gingen we eten bij…..ja….. Pyi Sone en toen we terug liepen naar het hotel zaten Ton, Jeannette, Herman, Jan-Willem, René, Ben en Carla op het terras bij Harmony naast het hotel. Wij sloten ons uiteraard aan en het werd heel gezellig om buiten te zitten in de open lucht met alle glitterende kerstlampjes in bomen en struiken en dit eind november. We hadden weer een enorme lol en lachten heel wat af, met toch een beetje het verschrikkelijke idee in ons achterhoofd dat deze wonderlijke vakantie stilaan op zijn einde liep.

 

Dag 20: zondag 19 november

Vroeg op want we moesten om 7u vertrekken naar de luchthaven van Bagan voor de binnenlandse vlucht naar Yangon met Yangon Airways.

We hadden terug een propellervlucht, iets groter dan de vorige keer met 68 passagiers dit keer.

Rond 11u waren we terug in het Eastern Hotel, al voor de derde keer deze reis. We gingen gelijk een biertje drinken met Ton, Jeannette, René, Herman en Jan-Willem en ook Ernst-Jan kwam erbij zitten.

Daarna gingen we eten bij She Win, de Chinees in dezelfde straat en daarna gingen we met Ton en Jeannette door de straten lopen. Het was hier weer bloedheet en erg benauwd door de stinkende uitlaatgassen.

’s Avonds gingen we met de hele groep eten in de Golden Duck Junior als symbolische afsluiter van deze reis. We waren hier ons rondje Myanmar begonnen amper 3 weken geleden maar het leek al wel maanden geleden door de vele indrukken en ervaringen die we op deze reis opgedaan hadden. We gingen ons rondje Myanmar hier ook weer beëindigen en iedereen dacht met weemoed terug aan het prachtige land en zijn bevolking.

Na het eten werden de enveloppen met de fooi overhandigd aan Ernst-Jan en Myo en daarna gingen we nog de Botataung pagode bekijken. We konden binnenin lopen waar een relikwie, bedekt met goud en juwelen, stond met een haar van Boeddha.

Daarna gingen we naar een bar met live optredens van Birmese zangeressen die op het podium meer stonden te janken dan te zingen. Het was een hels lawaai en de plaatselijke bevolking moest gewoon op hun stoelen blijven zitten en zij zaten stoïcijns te kijken naar het optreden. Er mocht in geen enkel geval in de handen geklapt of gedanst worden.

We hielden het gauw voor bekeken en liepen terug naar het hotel waar we met Herman en Jan-Willem een biertje dronken. Het personeel installeerde een televisietoestel om naar een match te kijken uit de Engelse competitie. Wij keken dus maar mee en ondertussen waren René, Ton en Jeannette ook gearriveerd. Er werden nog hardgekookte eieren besteld en we hadden weer de grootste lol.

 

Dag 21 en 22: maandag 20 en dinsdag 21 november

Al balend uit bed gestapt want dit was de laatste dag in Myanmar. We wilden niet echt meer de stad in en lummelden maar wat aan tot we om half twee moesten vertrekken naar de luchthaven. Alles verliep volgens planning en na 3u vliegen waren we in Singapore waar we afscheid namen van onze medereizigers die nog 2 dagen Singapore geboekt hadden.

Om 23u45 vertrok onze vlucht naar schiphol en na een lange vlucht van 13u en 40 minuten waarbij we gelukkig wat konden slapen, landden we om 6u25 de volgende dag in Amsterdam.

 

Deze reis was een organisatie van Summum.

Onze reisbegeleider was Ernst-Jan Bogaards die al heel wat jaren in Birma verbleef en daardoor ook veel wist van het land en zijn bevolking. Hij deed zijn job met hart en ziel en was een pracht van een reisbegeleider die we ons nog lang zullen herinneren.